Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdRechtbank Noord-Nederlandenkelvoudige kamerProcedureelOverig

ECLI:NL:RBNNE:2025:5008

Rechtbank Noord-Nederland · 8 december 2025 · enkelvoudige kamer · Voorlopige voorziening

Rb. Noord-Nederland 8 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5008

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

De NAM vroeg schorsing van heffingsbesluiten van de staatssecretaris van BZK van in totaal circa 1,3 miljard euro. De voorzieningenrechter oordeelt zonder zitting dat bij dit financiële geschil geen spoedeisend belang bestaat en de besluiten niet evident onrechtmatig zijn. Het verzoek wordt afgewezen.

Citaat (regel 21)
“De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

    • Procedureel

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 11, r.o. 1)
      “In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de besluiten van de staatssecretaris waarin haar is opgedragen vóór 31 december 2025 een bedrag van ruim 1,3 miljard euro over te maken.”
  • Kwesties

    • Procedureel (Awb)

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 17, r.o. 4)
      “Bij het ontbreken van een spoedeisend belang kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is.”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

  • Uitspraak (dictum)

    • Overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 21)
      “De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.”
  • Gunstig voor

    • IMG of NAM

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 21)
      “De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.”
  • Toewijzing

    • Niet van toepassing

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 19, r.o. 5)
      “Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af.”
  • Gemachtigde

    • mr. M.L. de Vries Lentsch · advocaat · namens NAM

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 6)
      “(gemachtigden: mr. M.L. de Vries Lentsch en mr. J.E. van Uden),”
    • mr. J.E. van Uden · advocaat · namens NAM

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 6)
      “(gemachtigden: mr. M.L. de Vries Lentsch en mr. J.E. van Uden),”
    • mr. M-L. Sluijter · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 9)
      “(gemachtigde: mr. M-L. Sluijter).”
  • Datum primair besluit

    • 18 november 2025

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “1.2. Met de bestreden besluiten, alle gedateerd op 18 november 2025, heeft de staatssecretaris verzoekster tussentijdse heffingen opgelegd”

Niet genoemd in de uitspraak: deskundigen, bedragen, aantal schades, trillingssterkte, plaats, datum besluit op bezwaar.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. r.o. 2

    Goedgekeurd

    Bij een louter financieel geschil ontbreekt spoedeisend belang zolang geen onomkeerbare situatie zoals faillissement dreigt; de NAM stelde zelf geen noodsituatie.

    “Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval.”
  2. r.o. 4

    Goedgekeurd

    De heffingsbesluiten zijn bij eerste lezing niet evident onrechtmatig.

    “Hij ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

De staatssecretaris heeft de NAM heffingsbesluiten opgelegd van 1,3 miljard euro. Hiertegen komt de NAM op. Het verzoek is kennelijk ongegrond verklaard omdat de NAM geen spoedeisend belang heeft en er geen sprake is van evidente onrechtmatige besluiten.

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
2Bestuursrecht
3zaaknummer: LEE 25/4777
4uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2025 in de zaak tussen
5Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., uit Assen, verzoekster
6(gemachtigden: mr. M.L. de Vries Lentsch en mr. J.E. van Uden),
7en
8de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
9(gemachtigde: mr. M-L. Sluijter).
10Inleiding
111. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de besluiten van de staatssecretaris waarin haar is opgedragen vóór 31 december 2025 een bedrag van ruim 1,3 miljard euro over te maken. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
121.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
131.2. Met de bestreden besluiten, alle gedateerd op 18 november 2025, heeft de staatssecretaris verzoekster tussentijdse heffingen opgelegd van in totaal circa 1,3 miljard euro. De staatssecretaris heeft verzoekster verzocht dit bedrag binnen zes weken na datum van de besluiten over te maken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 20 november 2025 heeft zij de staatssecretaris om uitstel van betaling verzocht. De staatssecretaris heeft dit verzoek op 25 november 2025 afgewezen. Daarop heeft verzoekster op 26 november 2025 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht de heffingsbesluiten van 18 november 2025, en daarmee de betalingsverplichting, te schorsen tot zes weken nadat de staatssecretaris op het bezwaar heeft beslist, waarbij verzoekster voor deze periode geen wettelijke rente is verschuldigd.
14Beoordeling door de voorzieningenrechter
152. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen sprake is van een onomkeerbare situatie, zoals een dreigend faillissement of dat de continuïteit van de onderneming niet meer kan worden gewaarborgd, neemt de voorzieningenrechter aan dat een spoedeisend belang ontbreekt.
163. In haar e-mail van 28 november 2025 heeft verzoekster aangegeven dat er geen sprake is van een financiële noodsituatie dan wel dat de continuïteit van de onderneming in het geding is. Zij is van mening dat het verzoek om een voorlopige voorziening desalniettemin kan worden toegewezen door de voorzieningenrechter omdat naar haar mening sprake is van evident onrechtmatige besluiten.
174. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Bij het ontbreken van een spoedeisend belang kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. In het geval van het onderhavige verzoek, waarbij het belang louter van financiële aard is, is daarvan sprake als alleen al op basis van een eerste lezing van de meest essentiële stukken het buiten elke twijfel is dat aan de bestreden besluiten ernstige gebreken kleven waarvan vaststaat dat die niet meer kunnen worden hersteld in de bezwaarfase. Op grond van de inhoud van de bestreden besluiten, het verzoekschrift en de reactie van de staatssecretaris op dat verzoekschrift is de voorzieningenrechter van oordeel dat daar vooralsnog geen sprake van is. Hij ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
18Conclusie en gevolgen
195. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
20Beslissing
21De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
22Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
23griffier
24voorzieningenrechter
25Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
26Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.