Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdRaad van State (ABRvS)meervoudige kamerProcedureelOverig

ABRvS: bij een bezwaarprocedure plus twee rechterlijke instanties is de redelijke termijn in beginsel vier jaar vanaf ontvangst van het bezwaarschrift; bij overschrijding volgt een forfaitaire schadevergoeding per half jaar, naar evenredigheid ten laste van het Instituut en de Staat.

Raad van State (ABRvS) · 26 februari 2025 · meervoudige kamer · Hoger beroep

ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:758

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

Na afloop van hun hoger beroep tegen het IMG vroegen schademelders schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling stelt een overschrijding van bijna acht maanden vast, kent € 1.000 toe en verdeelt die over het IMG (€ 428,57) en de Staat (€ 571,43), plus proceskosten.

Citaat (regel 25)
“7. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden toegewezen.”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

    • Procedureel

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 15)
      “1. [appellant] heeft de Afdeling verzocht een schadevergoeding uit te spreken omdat de redelijke termijn is overschreden.”
  • Kwesties

    • Redelijke termijn

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 19, r.o. 5)
      “Dat betekent een overschrijding van de redelijke termijn met bijna 8 maanden.”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

    • Aanvrager

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 6)
      “[appellant 1] en [appellant 2] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), wonend in [woonplaats],”
  • Uitspraak (dictum)

  • Gunstig voor

    • Aanvrager

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 25)
      “7. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden toegewezen.”
  • Toewijzing

    • Volledig toegewezen

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 25)
      “7. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden toegewezen.”
  • Bedrag

    • € 1.000,00 · schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 23, r.o. 6)
      “bedraagt de aan [appellant] toe te kennen schadevergoeding € 1000,00.”
    • € 428,57 · schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 29)
      “I. veroordeelt het Instituut Mijnbouwschade Groningen om aan [appellant 1] en [appellant 2] een schadevergoeding van € 428,57 te betalen;”
    • € 571,43 · schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 30)
      “II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant 1] en [appellant 2] een schadevergoeding van € 571,43 te betalen;”
    • € 261,14 · proceskosten

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 31)
      “III. veroordeelt het Instituut Mijnbouwschade Groningen tot vergoeding van bij [appellant 1] en [appellant 2] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 261,14;”
    • € 261,14 · proceskosten

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 32)
      “IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant 1] en [appellant 2] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 261,14.”
  • Datum besluit op bezwaar

    • 11 juni 2021

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 20, r.o. 5.1)
      “voordat het Instituut het besluit op bezwaar van 11 juni 2021 heeft genomen.”
  • Datum primair besluit

    • 28 april 2020

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 19, r.o. 5)
      “Vanaf de ontvangst door het Instituut op 3 juni 2020 van het tegen het besluit van 28 april 2020 gerichte bezwaarschrift”

Niet genoemd in de uitspraak: gemachtigden, deskundigen, aantal schades, trillingssterkte, plaats.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. r.o. 5

    Goedgekeurd

    De redelijke termijn van vier jaar voor bezwaar en twee rechterlijke instanties is met bijna acht maanden overschreden.

    “Dat betekent een overschrijding van de redelijke termijn met bijna 8 maanden.”
  2. r.o. 6

    Goedgekeurd

    De overschrijding is deels aan het IMG (bezwaarfase) en deels aan de Afdeling (hoger beroep) toe te rekenen; de vergoeding wordt naar evenredigheid verdeeld.

    “Omdat de overschrijding aan het Instituut en de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van het Instituut en de Staat der Nederlanden”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

Bij verzoek van 10 januari 2025 heeft [appellant] de Afdeling gevraagd om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in zaaknummer 202203679/1/A2 toe te kennen. [appellant] heeft de Afdeling verzocht een schadevergoeding uit te spreken omdat de redelijke termijn is overschreden. De redelijke termijn is voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en een procedure in twee re…

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1202203679/2/A2.
2Datum uitspraak: 26 februari 2025
3AFDELING
4BESTUURSRECHTSPRAAK
5Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van:
6[appellant 1] en [appellant 2] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), wonend in [woonplaats],
7verzoeker,
8en
9Instituut Mijnbouwschade Groningen
10verweerder.
11Procesverloop
12Bij verzoek van 10 januari 2025 heeft [appellant] de Afdeling gevraagd om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in zaaknummer 202203679/1/A2 toe te kennen.
13Bij uitspraak van 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:425, heeft de Afdeling in die procedure uitspraak gedaan op het hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 april 2022.
14Overwegingen
151. [appellant] heeft de Afdeling verzocht een schadevergoeding uit te spreken omdat de redelijke termijn is overschreden.
162. De redelijke termijn is voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en een procedure in twee rechterlijke instanties bestaan in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188. In het geval van [appellant] is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot verlenging of verkorting van deze termijn.
173. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Vergelijk de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren.
184. Indien bij de Afdeling een beroep op schending van de redelijke termijn wordt gedaan, wordt de vraag of de redelijke termijn is overschreden beoordeeld naar de stand van de zaak op het moment van de uitspraak van de Afdeling, waarbij de duur van de totale procedure in ogenschouw wordt genomen.
195. Vanaf de ontvangst door het Instituut op 3 juni 2020 van het tegen het besluit van 28 april 2020 gerichte bezwaarschrift tot de datum van de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2025 zijn 4 jaren en bijna 8 maanden verstreken. Dat betekent een overschrijding van de redelijke termijn met bijna 8 maanden.
205.1. Het heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift ongeveer 12 maanden geduurd voordat het Instituut het besluit op bezwaar van 11 juni 2021 heeft genomen. De duur van een halfjaar die redelijk wordt geacht voor de behandeling van het bezwaar, is daarmee met ongeveer 6 maanden overschreden.
21Het heeft vanaf de ontvangst van het tegen het besluit op bezwaar ingediende beroepschrift op 19 juli 2021 ongeveer 9 maanden geduurd voordat de rechtbank op 28 april 2022 uitspraak heeft gedaan. De duur van anderhalf jaar die redelijk wordt geacht voor de behandeling van het beroep, is daarmee niet overschreden.
22Het heeft vanaf de ontvangst van het tegen de uitspraak van de rechtbank ingediende hogerberoepschrift op 8 juni 2022 ongeveer 2 jaar en 8 maanden geduurd voordat de Afdeling op 5 februari 2025 uitspraak heeft gedaan. De duur van twee jaar die redelijk wordt geacht voor de behandeling van het hoger beroep, is daarmee met ongeveer acht maanden overschreden. Per saldo leidt dit tot een overschrijding van de redelijke termijn met bijna acht maanden.
236. Bij een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan [appellant] toe te kennen schadevergoeding € 1000,00. Omdat de overschrijding aan het Instituut en de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van het Instituut en de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). Het Instituut wordt veroordeeld tot betaling van € 428,57 en de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling van € 571,43 aan [appellant] als vergoeding voor door hem geleden immateriële schade.
24Conclusie
257. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden toegewezen.
268. Het Instituut en de Staat moeten ieder voor de helft de proceskosten, waaronder ook de reiskosten ter hoogte van € 68,78, vergoeden.
27Beslissing
28De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
29I. veroordeelt het Instituut Mijnbouwschade Groningen om aan [appellant 1] en [appellant 2] een schadevergoeding van € 428,57 te betalen;
30II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant 1] en [appellant 2] een schadevergoeding van € 571,43 te betalen;
31III. veroordeelt het Instituut Mijnbouwschade Groningen tot vergoeding van bij [appellant 1] en [appellant 2] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 261,14;
32IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant 1] en [appellant 2] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 261,14.
33Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.
34w.g. Willems
35voorzitter
36w.g. Planken
37griffier
38Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2025
39299-1120