Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdRechtbank Noord-Nederlandenkelvoudige kamerProcedureelOngegrond

ECLI:NL:RBNNE:2020:4631

Rechtbank Noord-Nederland · 2 juni 2020 · enkelvoudige kamer · Eerste aanleg - enkelvoudig

Rb. Noord-Nederland 2 juni 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:4631

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

Een schademelder kreeg € 2.495,70 toegekend en maakte te laat bezwaar; de minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelt dat miscommunicatie met de echtgenote en verblijf in het buitenland voor rekening van eiser komen; de overschrijding is niet verschoonbaar. Beroep ongegrond.

Citaat (regel 40)
“De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

    • Procedureel

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 33, r.o. 4)
      “In het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser het bezwaarschrift te laat heeft ingediend.”
  • Kwesties

    • Procedureel (Awb)

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 36, r.o. 4.3)
      “de gevolgen van miscommunicatie en verblijf in het buitenland komen voor rekening van eiser.”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

  • Uitspraak (dictum)

  • Gunstig voor

    • IMG of NAM

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 37, r.o. 5)
      “Bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het bezwaarschrift van eiser terecht niet ontvankelijk heeft verklaard.”
  • Toewijzing

    • Niet van toepassing

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 33, r.o. 4)
      “In het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser het bezwaarschrift te laat heeft ingediend.”
  • Gemachtigde

    • mr. E.E. Schaake · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.E. Schaake.”
  • Deskundige

    • overig (J. Tromp) · IMG-deskundige · geen oordeel van de rechter

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 17)
      “1.1 Op 4 december 2018 heeft deskundige J. Tromp bij de woning van eiser de schade opgenomen.”
  • Bedrag

    • € 2.495,70 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 10)
      “Bij besluit van 28 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een vergoeding van € 2.495,70 toegekend.”
  • Datum besluit op bezwaar

    • 12 april 2019

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 11)
      “Bij besluit van 12 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.”
  • Datum primair besluit

    • 28 januari 2019

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 10)
      “Bij besluit van 28 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een vergoeding van € 2.495,70 toegekend.”

Niet genoemd in de uitspraak: aantal schades, trillingssterkte, plaats.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. r.o. 4.2

    Goedgekeurd

    Het bezwaarschrift is na afloop van de zeswekentermijn ingediend en ontvangen.

    “Dit betekent dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.”
  2. r.o. 4.3

    Goedgekeurd

    Miscommunicatie en verblijf in het buitenland maken de overschrijding niet verschoonbaar.

    “de gevolgen van miscommunicatie en verblijf in het buitenland komen voor rekening van eiser.”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

Mijnbouwschade, termijnoverschrijding niet verschoonbaar, bezwaar terecht niet-ontvankelijk.

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
2Zittingsplaats Groningen
3Bestuursrecht
4zaaknummer: LEE 19/1937
5uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2020 in de zaak tussen
6[eiser], te [plaats], eiser,
7en
8de Minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
9Procesverloop
10Bij besluit van 28 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een vergoeding van € 2.495,70 toegekend.
11Bij besluit van 12 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
12Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
13Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.E. Schaake.
14Overwegingen
15Feiten
161. Op 9 januari 2018 heeft eiser verzocht om vergoeding van schade door mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld.
171.1 Op 4 december 2018 heeft deskundige J. Tromp bij de woning van eiser de schade opgenomen. Rooijakkers heeft op 9 december 2018 advies uitgebracht.
181.2 Op 27 december 2018 heeft eiser zijn zienswijze op het rapport gegeven.
191.3 Bij primair besluit heeft verweerder een totale vergoeding van € 2.495,70 toegekend.
201.4 Eiser heeft bij brief van 15 maart 2019 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
212. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
22Verweerder heeft hierbij aangegeven dat het bezwaar te laat is ingediend.
233. Op grond van artikel 8:1 en artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) kan een belanghebbende tegen een beslissing slechts bezwaar instellen en vervolgens het besluit op bezwaar in beroep inhoudelijk laten beoordelen indien die beslissing een besluit is in de zin van de Awb.
24Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
25In artikel 1:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder bestuursorgaan wordt verstaan: a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.
26Verweerder, de minister van Economische Zaken en Klimaat, is een bestuursorgaan als bedoeld onder a. Het bestreden besluit is ook schriftelijk genomen zodat slechts beoordeeld moet worden of de beslissing van verweerder een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt.
273.1 Er is in dit geval sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling indien een publiekrechtelijke rechtsregel, of een samenstel daarvan, aan de primaire beslissing van verweerder het rechtsgevolg verbindt dat verweerder de schade die is veroorzaakt door de gaswinning, de mijnbouwschade, moet vergoeden.
283.2 In artikel 3, tweede en derde lid, van het Besluit mijnbouwschade Groningen (het Besluit) heeft verweerder een bevoegdheid bij de deelcommissie mijnbouwschade neergelegd om op aanvragen tot vergoeding van schade te beslissen en bij de deelcommissie bezwaar om beslissingen op bezwaar tegen dergelijke beslissingen te nemen. In het Besluit is geen verwijzing opgenomen naar een specifieke wettelijke bepaling op grond waarvan verweerder zich bevoegd acht tot het vaststellen van dit Besluit. In de toelichting is opgenomen dat dit Besluit een vorm van onverplicht, buitenwettelijk beleid vastlegt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen wettelijke grondslag is aan te wijzen voor deze regelgeving en dat de regels, zoals die in het Besluit zijn opgenomen, moeten worden aangemerkt als beleid in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb.
293.3 Met deze beleidsregel geeft verweerder een nadere invulling en concretisering van zijn algemene bevoegdheid tot het doen van financiële uitkeringen ten laste van de publieke middelen. Op grond van artikel 4:84 van de Awb is verweerder verplicht om overeenkomstig deze beleidsregel op aanvragen om schadevergoeding te beslissen. Aldus verbindt artikel 4:84 van de Awb aan de beslissing tot het al dan niet vergoeden van mijnbouwschade op grond van het Besluit het rechtsgevolg dat verweerder, indien er recht bestaat op schadevergoeding, die schade dan ook moet vergoeden. In die zin is er sprake van een rechtsgevolg.
303.4 Het publiekrechtelijk karakter van het Besluit en daarmee van de beslissingen die op basis van het Besluit worden genomen is naar het oordeel van de rechtbank gelegen in een samenstel van factoren. Zo wordt de vergoeding van de mijnbouwschade gefinancierd uit de publieke middelen. Voorts is de mijnbouwschade mede het gevolg van de lang door de overheid gevoelde noodzaak om de gaswinning maximaal te faciliteren om aldus de energievoorziening in Nederland veilig te stellen en te voorzien in extra publieke middelen om bij te dragen aan de algemene welvaart in Nederland. Aldus is de schade een gevolg van de behartiging van een groot algemeen, publiek, belang en wordt met de vergoeding van die schade hetzelfde publieke belang behartigd. Ook doet de door de gaswinning veroorzaakte schade, die het directe gevolg is van dit door de overheid bevorderde algemene belang, door de beschadiging van woningen, voorts ernstig afbreuk aan de bewoonbaarheid van het land en het leefmilieu van degenen die in het aardbevingsgebied wonen. Aldus voorziet het Besluit in de invulling van de in artikel 21 van de Grondwet gewaarborgde zorgplicht van de overheid. Tot slot kan nog worden gewezen op de inmiddels door de wetgever aangenomen Wet Instituut mijnbouwschade Groningen waarin dit publiekrechtelijke karakter ook wordt vastgelegd in een wet in formele zin.
313.5 Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het Besluit een beleidsregel heeft vastgesteld waarin hij zijn algemene bevoegdheid tot het doen van financiële uitkeringen nader heeft geconcretiseerd. Het Besluit heeft gezien de context waarbinnen die regeling is opgesteld, een publiekrechtelijk karakter zodat beslissingen op basis van het Besluit naar het oordeel van de rechtbank moeten worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit oordeel sluit aan bij een ontwikkeling in de rechtspraak die mede vorm heeft gekregen in de zogenaamde Metroschade uitspraak (ECLI:NL:RVS:1986:AM9085 (AB 1986, 568)) en de Silicose uitspraak (ECLI:NL:RVS:1995:ZF1850 (AB 1996, 136)).
323.6 Uit het voorgaande volgt dat de beslissing, waarbij verweerder de aanvraag van eiser om een eenmalige vergoeding heeft afgewezen, dient te worden aangemerkt als een besluit, waartegen eiser ingevolge artikel 8:1, eerste lid, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb bezwaar kon maken.
334. In het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser het bezwaarschrift te laat heeft ingediend.
344.1. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. De termijn vangt op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is vervolgens bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor afloop van de termijn is ontvangen.
354.2. Niet in geschil is dat verweerder het primaire besluit aan eiser heeft toegezonden op 28 januari 2019. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift liep tot en met 11 maart 2019. Het bezwaarschrift van eiser is echter gedateerd 15 maart 2019 en pas op 22 maart 2019 ontvangen door verweerder. Dit betekent dat het bezwaarschrift te laat is ingediend.
364.3. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaarschrift dat te laat is ingediend, achterwege moet blijven wanneer redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest. Eiser heeft aangegeven dat er sprake was van miscommunicatie tussen hem en zijn echtgenote en dat eiser in die periode veelvuldig in het buitenland was. Dit bekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht; de gevolgen van miscommunicatie en verblijf in het buitenland komen voor rekening van eiser.
375. Bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het bezwaarschrift van eiser terecht niet ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond.
386. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
39Beslissing
40De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
41Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier. De uitspraak is gedaan op 2 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is de uitspraak niet in het openbaar uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
42de griffier is verhinderd de rechter
43de uitspraak te ondertekenen
44Afschrift verzonden aan partijen op:
45Rechtsmiddel
46Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.