Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdRaad van State (ABRvS)meervoudige kamerSchade aan een pandGegrond, zelf voorzien

ECLI:NL:RVS:2025:2554

Raad van State (ABRvS) · 4 juni 2025 · meervoudige kamer · Hoger beroep

ABRvS 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2554

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

Eigenares van een boerderij in Westerbroek kwam in hoger beroep op tegen de door de rechtbank toegekende vergoeding voor vloerschades. Het IMG erkende dat de rechtbank de toeslag van 27% had vergeten. De Afdeling vernietigt de uitspraak in zoverre en stelt de vergoeding zelf vast op in totaal € 8.799,23 plus btw en rente; over niet eerder gemelde aanvullende schades oordeelt zij niet.

Citaat (regel 45)
“III. veroordeelt het Instituut Mijnbouwschade Groningen tot betaling van een schadevergoeding aan [appellante] van in totaal € 8.799,23, te vermeerderen met btw en de wettelijke rente vanaf 26 juli 2020;”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

    • Schade aan een pand

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 21, r.o. 2)
      “Op 26 juli 2020 heeft [appellante] een vergoeding voor schade aan de boerderij door mijnbouw aangevraagd.”
  • Kwesties

    • Procedureel (Awb)

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 35, r.o. 8.1)
      “De schades zijn evenmin onderwerp geweest van de procedure in bezwaar en zijn geen onderdeel van het besluit van 6 mei 2022.”
    • Bijkomende kosten

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 30, r.o. 7.1)
      “vastgesteld dat de rechtbank abusievelijk geen rekening heeft gehouden met de toeslag van 27% die over de toegekende nettobedragen wordt berekend.”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

  • Uitspraak (dictum)

  • Gunstig voor

  • Toewijzing

  • Gemachtigde

    • mr. V.S.M. Sturkenboom · jurist · namens aanvrager

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 18)
      “vertegenwoordigd door mr. V.S.M. Sturkenboom, rechtsbijstandsverlener in Groningen”
    • mr. P. Zoeten · advocaat · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 18)
      “vertegenwoordigd door mr. P. Zoeten, advocaat in Groningen”
    • mr. S.C. Goldbohm · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 18)
      “en mr. S.C. Goldbohm, vergezeld door ing. J.J. Timmer, deskundige, zijn verschenen.”
  • Deskundige

    • CED (W. Hartemink) · IMG-deskundige · geen oordeel van de rechter

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 22, r.o. 3)
      “opgesteld door deskundige W. Hartemink van het bedrijf CED”
    • Vergnes Expertise B.V. (P.J. Vrieling en R. Lania) · contra-expert · rechter volgt het advies

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 25, r.o. 5)
      “opgesteld door P.J. Vrieling en R. Lania van Vergnes Expertise B.V. (hierna: Vergnes)”
    • Vergnes (D. Huizinga) · contra-expert · geen oordeel van de rechter

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 29, r.o. 7)
      “aanvullend tegenadvies met calculatie van 10 augustus 2023, opgesteld door D. Huizinga van Vergnes”
    • CED (ing. J.J. Timmer) · IMG-deskundige · rechter volgt het advies

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 30, r.o. 7.1)
      “na een advies van 28 april 2025, opgesteld door ing. J.J. Timmer van CED”
  • Bedrag

    • € 15.510,46 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “een schadevergoeding van € 15.510,46, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, toegekend voor schade aan haar gebouw.”
    • € 6.912,78 · toegewezen door de rechter

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 15)
      “bepaald dat voor schades 25 en 26 een bedrag van € 6.912,78, te vermeerderen met de btw en de wettelijke rente, moet worden toegekend”
    • € 1.866,45 · overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 30, r.o. 7.1)
      “door een aanvullende vergoeding van € 1.866,45, te vermeerderen met wettelijke rente en de btw, toe te kennen.”
    • € 8.799,23 · toegewezen door de rechter

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 45)
      “van in totaal € 8.799,23, te vermeerderen met btw en de wettelijke rente vanaf 26 juli 2020;”
    • € 1.814,00 · proceskosten

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 48)
      “proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-”
    • € 548,00 · griffierecht

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 49)
      “griffierecht ten bedrage van € 548,00 vergoedt.”
  • Datum besluit op bezwaar

    • 6 mei 2022

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 14)
      “Bij besluit van 6 mei 2022 heeft het Instituut het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.”
  • Datum primair besluit

    • 16 juli 2021

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “Bij besluit van 16 juli 2021 heeft het Instituut aan [appellante] een schadevergoeding van € 15.510,46”

Niet genoemd in de uitspraak: aantal schades, trillingssterkte, plaats.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. r.o. 9

    Goedgekeurd

    De rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de toeslag van 27%; de Afdeling kent een aanvullende vergoeding toe.

    “De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover daarin geen rekening is gehouden met de toeslag die berekend wordt over de door de rechtbank toegekende schadevergoeding van € 6.912,78.”
  2. r.o. 8.1

    Goedgekeurd

    Niet eerder gemelde aanvullende schades vallen buiten het geding; daarvoor kan een nieuwe aanvraag worden gedaan.

    “[appellante] kan voor deze schades een nieuwe aanvraag doen, waarop het Instituut een beslissing zal nemen.”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

Bij besluit van 16 juli 2021 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen aan [appellante] een schadevergoeding van € 15.510,46, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, toegekend voor schade aan haar gebouw. Onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie van 17 januari 2022 heeft het Instituut het bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard. [appellante] is eigenares van…

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1202304534/1/A2.
2Datum uitspraak: 4 juni 2025
3AFDELING
4BESTUURSRECHTSPRAAK
5Uitspraak op het hoger beroep van:
6[appellante], gevestigd in [plaats],
7appellante,
8tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 juni 2023 in zaak nr. 22/2292 in het geding tussen:
9[appellante]
10en
11Instituut Mijnbouwschade Groningen.
12Procesverloop
13Bij besluit van 16 juli 2021 heeft het Instituut aan [appellante] een schadevergoeding van € 15.510,46, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, toegekend voor schade aan haar gebouw.
14Bij besluit van 6 mei 2022 heeft het Instituut het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
15Bij uitspraak van 7 juni 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 mei 2022 voor zover het betreft de schades 25 en 26 vernietigd, bepaald dat voor schades 25 en 26 een bedrag van € 6.912,78, te vermeerderen met de btw en de wettelijke rente, moet worden toegekend en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.
16Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
17Het Instituut heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
18De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 mei 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. V.S.M. Sturkenboom, rechtsbijstandsverlener in Groningen, en het Instituut, vertegenwoordigd door mr. P. Zoeten, advocaat in Groningen, en mr. S.C. Goldbohm, vergezeld door ing. J.J. Timmer, deskundige, zijn verschenen.
19Overwegingen
201. [appellante] is eigenares van een boerderij met stal aan de [locatie] in Westerbroek.
212. Op 26 juli 2020 heeft [appellante] een vergoeding voor schade aan de boerderij door mijnbouw aangevraagd.
223. Na een in opdracht van het Instituut uitgebracht advies van 18 juni 2021, opgesteld door deskundige W. Hartemink van het bedrijf CED, heeft het Instituut bij besluit van 16 juli 2021 een schadevergoeding van € 14.619,33, te vermeerderen met de bijkomende kosten en de wettelijke rente, toegekend.
234. Onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie van 17 januari 2022 heeft het Instituut het bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard.
24Uitspraak van de rechtbank
255. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Instituut voor de schades 25 en 26 onvoldoende heeft onderbouwd dat die schades een andere uitsluitende oorzaak hebben dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Daartoe heeft zij overwogen dat - voor zover al ervan uit wordt gegaan dat een verschil in zetting de oorzaak van de schades is - onvoldoende is aangetoond wat de oorzaak van de zetting is geweest. De enkele stelling dat de betonvloer op zand is gestort, is daarvoor onvoldoende. Om het geschil hierover finaal te beslechten heeft de rechtbank aan de hand van de niet door het Instituut betwiste calculatie uit het tegenadvies van 18 augustus 2021, opgesteld door P.J. Vrieling en R. Lania van Vergnes Expertise B.V. (hierna: Vergnes), bepaald dat het Instituut voor deze schades een bedrag van € 6.912,75 (€ 4.550,70 + € 2.362,08), te vermeerderen met btw en wettelijke rente, moet toekennen.
266. Volgens de rechtbank was het Instituut niet gehouden om de in het tegenadvies van Vergnes opgenomen aanvullende schades 39 en 40 alsnog mee te nemen in de bezwaarfase. In het advies van 18 juni 2021 zijn deze schades niet meegenomen en [appellante] heeft geen zienswijze, waarin is verzocht om deze schades alsnog mee te nemen, ingediend. Voor vergoeding van deze schades kan [appellante] bij het Instituut een nieuwe aanvraag doen.
27Beoordeling van het hoger beroep door de Afdeling
28Aanvullende vergoeding
297. [appellante] betoogt onder verwijzing naar een in hoger beroep overgelegd aanvullend tegenadvies met calculatie van 10 augustus 2023, opgesteld door D. Huizinga van Vergnes, dat zij recht heeft op een hogere schadevergoeding voor de schades in de marmeren vloer. Daarbij gaat het om de schades 25 tot en met 27 uit het advies van 18 juni 2021.
307.1. Het Instituut heeft, na een advies van 28 april 2025, opgesteld door ing. J.J. Timmer van CED, vastgesteld dat de rechtbank abusievelijk geen rekening heeft gehouden met de toeslag van 27% die over de toegekende nettobedragen wordt berekend. Daarmee behoorde de totale vergoeding uit te komen op een bedrag van € 8.779,23 in plaats van € 6.192,78. Het Instituut heeft de Afdeling daarom verzocht zelf in de zaak te voorzien door een aanvullende vergoeding van € 1.866,45, te vermeerderen met wettelijke rente en de btw, toe te kennen. Het Instituut heeft verder toegelicht dat met vergoeding van schade 26 feitelijk ook schade 27 is vergoed, omdat die vergoeding de volledige vervanging van het vloerwerk in de grote hal voor de wc en kamer omvat.
317.2. Op de zitting heeft [appellante] bevestigd dat met het toekennen van de aanvullende vergoeding van € 1.866,45 de hoogte van de door de rechtbank toegekende vergoeding voor de schades 25 tot en met 27 niet meer ter discussie staat.
327.3. Het betoog slaagt.
33Aanvullende schades
348. [appellante] wenst in hoger beroep een oordeel over drie aanvullende schades in de marmeren vloer.
358.1. De aanvullende schades in de vloer zijn, evenals de andere aanvullende schades die de rechtbank al heeft besproken, niet eerder door [appellante] gemeld bij het Instituut. [appellante] heeft geen zienswijze ingediend op het advies van 18 juni 2021, waarin de schades niet zijn meegenomen. De schades zijn evenmin onderwerp geweest van de procedure in bezwaar en zijn geen onderdeel van het besluit van 6 mei 2022. [appellante] kan voor deze schades een nieuwe aanvraag doen, waarop het Instituut een beslissing zal nemen.
368.2. Het betoog slaagt niet.
37Conclusie
389. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover daarin geen rekening is gehouden met de toeslag die berekend wordt over de door de rechtbank toegekende schadevergoeding van € 6.912,78. De Afdeling zal het Instituut veroordelen tot betaling aan [appellante] van een aanvullende schadevergoeding van € 1.886,45, te vermeerderen met btw en wettelijke rente.
3910. De Afdeling zal verder bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
4011. Het Instituut moet de proceskosten vergoeden.
41Beslissing
42De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
43I. verklaart het hoger beroep gegrond;
44II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 juni 2023 in zaak nr. 22/2292, voor zover daarin een schadevergoeding van € 6.912,78 is toegekend;
45III. veroordeelt het Instituut Mijnbouwschade Groningen tot betaling van een schadevergoeding aan [appellante] van in totaal € 8.799,23, te vermeerderen met btw en de wettelijke rente vanaf 26 juli 2020;
46IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
47V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
48VI. veroordeelt het Instituut Mijnbouwschade Groningen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
49VII. gelast dat het Instituut Mijnbouwschade Groningen aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 548,00 vergoedt.
50Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.
51w.g. Van Altena
52voorzitter
53w.g. Planken
54griffier
55Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2025
56299-1120