Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdRaad van State (ABRvS)meervoudige kamerSchade aan een pandHoger beroep: uitspraak bevestigd

ABRvS: de stelling dat in de hoorzitting was toegezegd dat schades alsnog volledig ter plaatse zouden worden opgenomen, leidt niet tot onzorgvuldigheid als de deskundige op basis van eerdere opname en duidelijke foto's kon oordelen.

Raad van State (ABRvS) · 19 maart 2025 · meervoudige kamer · Hoger beroep

ABRvS 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1140

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

De eigenaar van een Oldambster boerderij in Kiel-Windeweer betwistte dat het IMG voor schades 24 en 50 het bewijsvermoeden had weerlegd en dat de vergoeding voor herstel van schade 25 toereikend was. De Afdeling acht de weerlegging (spatkrachten na verbouwing, krimp van beton, lage trillingen) en de herstelcalculatie voldoende onderbouwd en bevestigt de uitspraak.

Citaat (regel 73)
“39. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

    • Schade aan een pand

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 22, r.o. 2)
      “[appellant] heeft op 15 juni 2017 schade (scheurvorming en ingestorte muren) aan de boerderij gemeld bij het Centrum Veilig Wonen.”
  • Kwesties

    • Bewijsvermoeden

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 26)
      “6. In hoger beroep is in geschil of het Instituut voor de schades 24 en 50 het bewijsvermoeden juist heeft toegepast.”
    • Maatstaf voor weerlegging

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 48)
      “19. De Afdeling is van oordeel dat het Instituut voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat schade 24 veroorzaakt is door de zogenoemde spatkrachten vanuit de kapconstructie op het metselwerk.”
    • Vergewisplicht

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 41, r.o. 15)
      “Pierik beschikte daardoor over duidelijke foto’s van de situatie en was niet gehouden om nogmaals onderzoek ter plaatse te verrichten.”
    • Zetting

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 53, r.o. 24)
      “Het Instituut is niet gehouden om voor de weerlegging van het bewijsvermoeden (indirecte) effecten van diepe bodemdaling te beoordelen.”
    • Duurzaam herstel

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 69, r.o. 36)
      “De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door Nieuwenhuis geadviseerde herstelmethode voor schade 25 en de bijbehorende calculatie van € 12.489,33.”
    • Overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 54, r.o. 25)
      “Over het gestelde risico op triggerwerking is van belang dat dit risico is verdisconteerd in de grenswaarde uit de SBR Trillingsrichtlijn”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

  • Uitspraak (dictum)

  • Gunstig voor

    • IMG of NAM

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 73)
      “39. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.”
  • Toewijzing

    • Afgewezen

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 73)
      “39. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.”
  • Gemachtigde

    • mr. H.R. ten Broeke · advocaat · namens aanvrager

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 19)
      “aanwezig via een videoverbinding, bijgestaan door mr. H.R. ten Broeke, en het Instituut”
    • mr. P. Zoeten · advocaat · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 19)
      “vertegenwoordigd door mr. P. Zoeten, advocaat in Groningen, en mr. S.C. Goldbohm”
    • mr. S.C. Goldbohm · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 19)
      “vertegenwoordigd door mr. P. Zoeten, advocaat in Groningen, en mr. S.C. Goldbohm”
  • Deskundige

    • 10BE (H. Pierik) · nader advies · rechter volgt het advies

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 61, r.o. 30)
      “Volgens Pierik is er evident een andere uitsluitende oorzaak.”
    • 10BE (N. Nieuwenhuis) · IMG-deskundige · rechter volgt het advies

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 69, r.o. 36)
      “De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door Nieuwenhuis geadviseerde herstelmethode voor schade 25”
    • overig (Nabben) · IMG-deskundige · rechter volgt het advies

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 50, r.o. 21)
      “Deskundige Nabben heeft in het nader advies berekeningen gemaakt over de effecten van de verbouwingen op de bestaande gevels.”
    • overig (ing. R. Lubbers) · IMG-deskundige · rechter volgt het advies

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 51, r.o. 22)
      “heeft Lubbers op de zitting toegelicht dat een gebintenstructuur altijd zakt en daarmee op de gevels komt te drukken.”
    • Vergnes Expertise B.V. (J. Vrieling) · contra-expert · rechter volgt het advies niet

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 69, r.o. 36)
      “Daarmee is onvoldoende onderbouwd waarom de adviezen van de door het Instituut ingeschakelde deskundigen die uitgaan van een oppervlakte 45 m2 onjuist zijn.”
    • A2 Experts (H. Plattje) · contra-expert · geen oordeel van de rechter

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 44, r.o. 17)
      “Hij wijst ter onderbouwing op het memo van 7 februari 2023 van het bedrijf A2 Experts, opgesteld door H. Plattje.”
  • Bedrag

    • € 43.893,98 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “Bij besluit van 1 april 2020 heeft het Instituut aan [appellant] een schadevergoeding van € 43.893,98, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, toegekend.”
    • € 12.489,33 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 23, r.o. 3)
      “Voor herstel van schade 25 (schade aan de achtergevel) heeft het Instituut een schadevergoeding van € 12.489,33 toegekend.”
    • € 54.457,51 · gevorderd

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 37, r.o. 13)
      “waarbij de herstelkosten zijn begroot op € 54.457,51.”
    • € 16.067,65 · gevorderd

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 64, r.o. 32)
      “de begroting van de herstelkosten beperkt tot € 16.067,65 en gaat hij uit van 65 m2 aan herstelwerkzaamheden.”
    • € 10.188,00 · gevorderd

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 44)
      “17. Volgens [appellant] heeft hij recht op een schadevergoeding van € 10.188,- voor schade 24.”
    • € 10,71 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 59, r.o. 28)
      “Het gaat om een kleine scheur van 0,2 m; de kosten van herstel zijn gecalculeerd op € 10,71.”
    • € 14,26 · gevorderd

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 57, r.o. 27)
      “Die komt uit op een bedrag van € 14,26.”
  • Aantal schades

    • 3 schades · in geschil

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 26)
      “6. In hoger beroep is in geschil of het Instituut voor de schades 24 en 50 het bewijsvermoeden juist heeft toegepast.”
  • Trillingssterkte

    • 2,77 mm/s · kansniveau 1% · op de locatie

      Goedgekeurd

      zoals genoemd in de uitspraak, met kansniveau en bron

      Citaat (regel 52, r.o. 23)
      “De hoogst berekende trillingsnelheid van 2,77 mm/s (bij een overschrijdingskans van 1%) was tijdens de beving van Huizinge op 16 augustus 2012.”
    • 10 mm/s · kansniveau 1% · grenswaarde

      Goedgekeurd

      zoals genoemd in de uitspraak, met kansniveau en bron

      Citaat (regel 52, r.o. 23)
      “is 10 mm/s met 1% overschrijdingskans. Deze grens is niet gehaald.”
    • 3 mm/s · kansniveau 25% · grenswaarde

      Goedgekeurd

      zoals genoemd in de uitspraak, met kansniveau en bron

      Citaat (regel 54, r.o. 25)
      “omdat de lagere grenswaarde van 3 mm/s (overschrijdingskans 25%) uitgaat van een pand dat spanningen bevat”
  • Grenswaarde overschreden

    • Nee

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 52, r.o. 23)
      “Ook de grenswaarden neergelegd in de SBR Trillingsrichtlijn voor de beantwoording van de vraag of de schade eventueel kan zijn verergerd door trillingen door mijnbouwactiviteiten zijn niet overschreden.”
  • Datum besluit op bezwaar

    • 31 januari 2022

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 14)
      “Bij besluit van 31 januari 2022 heeft het Instituut het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.”
  • Datum primair besluit

    • 1 april 2020

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “Bij besluit van 1 april 2020 heeft het Instituut aan [appellant] een schadevergoeding van € 43.893,98, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, toegekend.”

Niet genoemd in de uitspraak: plaats.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. r.o. 20

    Goedgekeurd

    Schade 24 is veroorzaakt door spatkrachten vanuit de kapconstructie na dakrenovatie en verbouwing; trillingen bleven onder de grenswaarden, zodat het bewijsvermoeden is weerlegd.

    “De gevelconstructie bezit onvoldoende weerstand om de vergrote krachten als gevolg van de dakrenovatie deugdelijk op te nemen en af te dragen, waardoor scheurvorming in het metselwerk ontstaat.”
  2. r.o. 24

    Goedgekeurd

    Het IMG hoeft voor weerlegging van het bewijsvermoeden geen (indirecte) effecten van diepe bodemdaling te beoordelen; drukgolven spelen geen rol onder 10 mm/s.

    “Het Instituut is niet gehouden om voor de weerlegging van het bewijsvermoeden (indirecte) effecten van diepe bodemdaling te beoordelen.”
  3. Regel 70

    Goedgekeurd

    Het tegenrapport onderbouwt onvoldoende waarom herstel van 45 m2 metselwerk volgens de IMG-calculatie onjuist zou zijn.

    “37. De conclusie is dat [appellant] onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor het oordeel dat het Instituut niet kon volstaan met de herstelmethode en bijbehorende calculatie van herstelkosten.”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

Bij besluit van 1 april 2020 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen aan [appellant] een schadevergoeding van € 43.893,98, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, toegekend. [appellant] is sinds 2002 eigenaar van een Oldambster boerderij, een woonboerderij met een daaraan gekoppelde landbouwschuur, aan de [locatie] in Kiel-Windeweer. De boerderij stamt uit 1880 en heeft een voorhuis…

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1202303039/1/A2.
2Datum uitspraak: 19 maart 2025
3AFDELING
4BESTUURSRECHTSPRAAK
5Uitspraak op het hoger beroep van:
6[appellant], wonend in [woonplaats],
7appellant,
8tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 31 maart 2023 in zaak nr. 22/924 in het geding tussen:
9[appellant]
10en
11Instituut Mijnbouwschade Groningen.
12Procesverloop
13Bij besluit van 1 april 2020 heeft het Instituut aan [appellant] een schadevergoeding van € 43.893,98, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, toegekend.
14Bij besluit van 31 januari 2022 heeft het Instituut het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
15Bij uitspraak van 31 maart 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
16Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
17Het Instituut heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
18[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
19De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2025, waar [appellant], aanwezig via een videoverbinding, bijgestaan door mr. H.R. ten Broeke, en het Instituut, vertegenwoordigd door mr. P. Zoeten, advocaat in Groningen, en mr. S.C. Goldbohm, vergezeld door ing. R. Lubbers, deskundige, zijn verschenen.
20Overwegingen
211. [appellant] is sinds 2002 eigenaar van een Oldambster boerderij, een woonboerderij met een daaraan gekoppelde landbouwschuur, aan de [locatie] in Kiel-Windeweer. De boerderij stamt uit 1880 en heeft een voorhuis met daaronder een kelder. [appellant] heeft de boerderij ingrijpend verbouwd door in het voorhuis een extra verdiepingsvloer en woonappartementen aan te brengen.
222. [appellant] heeft op 15 juni 2017 schade (scheurvorming en ingestorte muren) aan de boerderij gemeld bij het Centrum Veilig Wonen. De melding is op grond van de Tijdelijke wet Groningen aangemerkt als een aanvraag om schadevergoeding.
233. Het Instituut heeft bij het besluit van 20 april 2020, zoals gehandhaafd in bezwaar, geen (aanvullende) schadevergoeding toegekend voor schade 24 (scheurvorming in een buitenmuur) en schade 50 (scheurvorming in een betonvloer). Voor herstel van schade 25 (schade aan de achtergevel) heeft het Instituut een schadevergoeding van € 12.489,33 toegekend.
244. Op 16 september 2021 heeft [appellant] melding gedaan van een mogelijk acuut onveilige situatie (AOS). Volgens het rapport van W2N was de situatie niet acuut onveilig en is de melding ongegrond verklaard.
255. Op 19 februari 2022 heeft [appellant] opnieuw melding gedaan van een mogelijk acuut onveilige situatie (AOS). Deze melding is op 21 maart 2022 gegrond verklaard door W2N.
266. In hoger beroep is in geschil of het Instituut voor de schades 24 en 50 het bewijsvermoeden juist heeft toegepast. Ook is in geschil of de toegekende vergoeding voor herstel van schade 25 toereikend is.
27Beoordelingskader voor de toepassing van het bewijsvermoeden
287. Het bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de schades. Bij fysieke schade aan gebouwen en werken die naar haar aard redelijkerwijs schade zou kunnen zijn door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld, wordt vermoed dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.
298. Het Instituut weerlegt het bewijsvermoeden met succes als het aan de hand van een deskundigenadvies aantoont dat de schadeoorzaak aantoonbaar uitsluitend een andere is dan bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk. In dat geval is het voldoende aannemelijk dat de schade niet is veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten.
309. De Afdeling verwijst voor de toepassing van het wettelijke bewijsvermoeden in bestuursrechtelijke context verder naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, onder 30-40. Van het Instituut wordt niet gevraagd dat hij met 100% zekerheid kan uitsluiten dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, onder 69. Het is een voldoende grote mate van zekerheid als de schade zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door een andere uitsluitende oorzaak dan mijnbouwactiviteiten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:96, onder 75.
3110. Sinds 1 juli 2021 hanteert het Instituut voor de toepassing van het wettelijke bewijsvermoeden een geactualiseerd en aangevuld kader voor de beoordeling van fysieke schade door deskundigen. Dit is neergelegd in de Praktische Uitwerking Tijdelijke wet Groningen voor Deskundigen. Zie de hiervoor genoemde uitspraak van 8 juni 2022, onder 55-58. Als de deskundige heeft geconstateerd dat er een autonome oorzaak voor de schade bestaat, moet hij aanvullend nagaan of het aannemelijk is dat trillingen door aardbevingen de schade toch hebben veroorzaakt of hebben verergerd. Het advies van ir. P.C. van Staalduinen en ing. H.J. Everts van 16 december 2020 ziet op de beoordeling van schade als gevolg van zettingen en heeft voor de beantwoording van die vraag een vaste plaats gekregen. Dat geldt ook voor de SBR Trillingsrichtlijn A: schade aan gebouwen uit 2017. De SBR Trillingsrichtlijn ziet op schade als gevolg van overbelasting, inclusief de verergering van een scheur door autonome zettingsschade. Het Instituut geeft hiermee nader invulling aan het wettelijke bewijsvermoeden voor de beoordeling van de vraag of schade uitsluitend een andere oorzaak dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten heeft. Dit is dus aanvullend op de vraag of er een andere uitsluitende oorzaak bestaat. De Afdeling acht dit aanvaardbaar. Zie de hiervoor genoemde uitspraak van 8 juni 2022, onder 88.
32Uitspraak van de rechtbank
33Schades 24 en 50
3411. De rechtbank heeft overwogen dat de door het Instituut ingeschakelde deskundige, H. Pierik, van het bedrijf 10BE, op 7 juni 2021 in bezwaar nader onderzoek op locatie heeft gedaan. Schades 24 en 50 zijn opgenomen in het advies van 24 augustus 2021. Dat Pierik heeft geadviseerd om geen schadevergoeding toe te kennen voor deze schades, maakt naar oordeel van de rechtbank niet dat de schadeopname onvolledig is geweest.
3512. De rechtbank heeft overwogen dat schade 50 volgens het herziene advies van 26 maart 2020, opgesteld door E. Korenberg van 10BE (lees: N. Nieuwenhuis van 10BE), is ontstaan tijdens het drogings- en uithardingsproces van de betonvloer. [appellant] heeft over deze schade alleen gesteld dat het bewijsvermoeden niet is weerlegd en heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht ter onderbouwing van zijn standpunt. De rechtbank is van oordeel dat het Instituut met een verwijzing naar de conclusie van Pierik in het advies van 24 augustus 2021 het bewijsvermoeden heeft weerlegd.
36Herstelmethode en vergoeding schade 25
3713. De rechtbank volgt [appellant] niet in zijn betoog dat voor schade 25 een onjuiste herstelmethode is toegepast en dat de gehele achtergevel zal moeten worden herbouwd, waarbij de herstelkosten zijn begroot op € 54.457,51. In het herziene advies van 26 maart 2020 is toereikend gemotiveerd dat het toegekende bedrag van € 12.489,33 voldoende is voor herstel van het metselwerk. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat op [appellant] een verplichting tot schadebeperking rust. Van [appellant] had redelijkerwijs verlangd mogen worden de in 2012 geconstateerde schade aan de achtergevel te beperken, teneinde verergering van de schade te voorkomen. Dat hij dat niet heeft gedaan, komt voor zijn rekening en risico.
38Beoordeling van het hoger beroep
39Zorgvuldigheid onderzoek
4014. [appellant] betoogt in hoger beroep dat het Instituut het bewijsvermoeden voor schades 24 en 50 niet heeft weerlegd. Volgens [appellant] is er geen juist en volledig onderzoek verricht naar deze schades. Het Instituut heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar toegezegd dat deze schades alsnog volledig zouden worden opgenomen. Dat is niet gebeurd, omdat Pierik in bezwaar geen schadeopname op locatie heeft verricht, waardoor het onderzoek onzorgvuldig is geweest.
4115. Dit betoog treft geen doel. Op 28 oktober 2019 is Nieuwenhuis ter plaatse geweest om de schades aan de woning van [appellant] op te nemen en te beoordelen. Nieuwenhuis heeft op 19 november 2019 een advies opgesteld. Pierik beschikte daardoor over duidelijke foto’s van de situatie en was niet gehouden om nogmaals onderzoek ter plaatse te verrichten. Pierik heeft in het advies van 24 augustus 2021 schades 24 en 50 opnieuw beoordeeld. [appellant] heeft niet onderbouwd dat het voor een zorgvuldig deskundigenadvies ook noodzakelijk was dat Pierik zelf ter plaatse de schade moest opnemen. De enkele stelling dat het onderzoek zonder opname ter plaatse onvolledig is, is daarvoor onvoldoende.
4216. De Afdeling gaat hieronder in op het betoog van [appellant] dat het Instituut het bewijsvermoeden voor schades 24 en 50 niet heeft weerlegd.
43Schade 24
4417. Volgens [appellant] heeft hij recht op een schadevergoeding van € 10.188,- voor schade 24. Hij wijst ter onderbouwing op het memo van 7 februari 2023 van het bedrijf A2 Experts, opgesteld door H. Plattje.
45[appellant] stelt dat de schade aan het wanddeel op 15 juni 2017 is gemeld; het wanddeel was ernstig vervormd en deels ingestort. Volgens [appellant] gaat het om een zeer gevoelig gebouw en is de schade veroorzaakt door een combinatie van factoren, waaronder triggerwerking door trillingen door aardbevingen, bovenmatig zetten door grondwaterpeil aanpassingen, ouderdom, bouwaard en het ontwerp, ligging bij een afwateringskanaal en bovenmatige en dynamische belasting.
4618. Ter onderbouwing van het standpunt dat de schade niet het gevolg is van spatkrachten vanuit de gebintenconstructie, zoals het Instituut stelt, wijst [appellant] op het nader ingediende memo van 20 februari 2025, opgesteld door J. Vrieling van Vergnes Expertise B.V. Volgens Vrieling hebben de wanden een geringe hoogte. Daarnaast wijst hij erop dat de gebintenconstructie van de schuur de wind- en sneeuwbelasting primair opvangt.
47Beoordeling door de Afdeling
4819. De Afdeling is van oordeel dat het Instituut voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat schade 24 veroorzaakt is door de zogenoemde spatkrachten vanuit de kapconstructie op het metselwerk.
4920. Bij deze schade gaat het om scheurvorming in een buitenmuur van het voorhuis. In het advies van 24 augustus 2021, opgesteld door Pierik, is vermeld dat de schade is veroorzaakt door toegenomen horizontale drukkrachten (spatkrachten) vanuit de kapconstructie op het metselwerk. De belastingen van de kapconstructie zijn toegenomen door renovatie van het dak. De gevelconstructie bezit onvoldoende weerstand om de vergrote krachten als gevolg van de dakrenovatie deugdelijk op te nemen en af te dragen, waardoor scheurvorming in het metselwerk ontstaat.
5021. In nadere adviezen is door deskundigen toegelicht dat zij de conclusie van Pierik onderschrijven dat er een andere uitsluitende oorzaak ten grondslag ligt aan de schade en dat deze niet is verergerd door trillingen. Deskundige Nabben heeft in het nader advies berekeningen gemaakt over de effecten van de verbouwingen op de bestaande gevels. Volgens Nabben is extra belasting toegevoegd op de gevels door renovatie van het dak en toevoeging van een extra vloerveld en door veranderd gebruik van opslag naar wonen. De toegevoegde belasting wordt volgens Nabben overgedragen via de gevel naar de ondergrond en veroorzaakt scheurvorming op de zwakke plekken waar de spanning het grootst is. Dit manifesteert zich daar waar de belasting van richting verandert (bij de hoek van het dak naar de gevel) en daar waar de spreiding van de belasting zich concentreert. Gezien het verschil in de uiterlijke verschijningsvorm van het constructieve hout is dit deels ook nieuw toegevoegd.
5122. Over het betoog van [appellant] dat de gestelde spatkrachten zich niet voordoen, omdat gebruik is gemaakt van een gebintenstructuur, heeft Lubbers op de zitting toegelicht dat een gebintenstructuur altijd zakt en daarmee op de gevels komt te drukken. Om die zakking tegen te gaan moet de gebintenstructuur worden opgevijzeld met stempels. In dit geval zijn relatief veel stempels aangebracht, waaruit opgemaakt kan worden dat de gebintenstructuur wel degelijk belast is.
5223. Daarbij komt dat het Instituut op grond van het aanvullende beoordelingskader heeft vastgesteld dat de trillingen als gevolg van bevingen zo gering zijn geweest dat daardoor een dergelijke ernstige schade (door zettingen en/of overbelasting) niet kan zijn ontstaan of verergerd. De hoogst berekende trillingsnelheid van 2,77 mm/s (bij een overschrijdingskans van 1%) was tijdens de beving van Huizinge op 16 augustus 2012. De grens waaronder het schademechanisme voor zettingsschade (verdichting of verweking) kan ontstaan ongeacht de samenstelling van de bodem is 10 mm/s met 1% overschrijdingskans. Deze grens is niet gehaald. Ook de grenswaarden neergelegd in de SBR Trillingsrichtlijn voor de beantwoording van de vraag of de schade eventueel kan zijn verergerd door trillingen door mijnbouwactiviteiten zijn niet overschreden.
5324. Het betoog van [appellant] dat naast trillingen ook (in)directe effecten van bodemdaling en drukgolven van aardbevingen kunnen bestaan waardoor het draagvermogen van de fundering tijdelijk wordt overschreden met verschilzettingen tot gevolg, treft geen doel. Het Instituut is niet gehouden om voor de weerlegging van het bewijsvermoeden (indirecte) effecten van diepe bodemdaling te beoordelen. Volgens het nadere advies is door de ligging van de boerderij in het randgebied de daling door gaswinning zeer beperkt en zal er daarom ook zo goed als geen peilaanpassing van het grondwater hebben plaatsgevonden. Er is dan ook geen invloed op de fundering en de draagkracht hiervan. De door [appellant] gestelde invloed van drukgolven doet zich niet voor op een locatie waar de trillingsnelheid lager dan 10 mm/s is geweest. Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631.
5425. Over het gestelde risico op triggerwerking is van belang dat dit risico is verdisconteerd in de grenswaarde uit de SBR Trillingsrichtlijn, omdat de lagere grenswaarde van 3 mm/s (overschrijdingskans 25%) uitgaat van een pand dat spanningen bevat en dus met lagere trillingsnelheden kan worden beschadigd. Deze grenswaarde is niet gehaald. Daarbij komt dat het Instituut mede met het oog op het risico van triggerwerking een conservatieve interpretatie van de SBR Trillingsrichtlijn tot zijn werkwijze heeft gemaakt, door toepassing van een veiligheidsfactor van 1,5. Daarmee is ook het risico op triggerwerking ruimschoots kleiner dan 1% bij toepassing van deze grenswaarden (die in het geval van [appellant] als gezegd ook niet zijn gehaald). Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2232.
5526. Het betoog slaagt niet.
56Schade 50
5727. [appellant] betoogt verder dat hij recht heeft op een hogere vergoeding voor schade 50. Hij stelt dat in het besluit van 1 april 2020 deze schade (een scheur in de betonvloer van 0,2 m lang en een breedte van ongeveer 1 mm) wel als mijnbouwschade is erkend. In het besluit van 31 januari 2022 is het drogings- en verhardingsproces van de betonvloer als evidente, uitsluitende schadeoorzaak aangewezen. Het Instituut heeft volgens hem ten onrechte geen nader onderzoek naar de omvang van de schade gedaan. Voor de wijze van herstel sluit hij zich aan bij het in hoger beroep door hem overgelegde memo van Vrieling. Die komt uit op een bedrag van € 14,26.
58Beoordeling door de Afdeling
5928. De Afdeling stelt vast dat in het herziene advies er conform het eerdere advies van uit is gegaan dat de schade is veroorzaakt door mijnbouw. Het gaat om een kleine scheur van 0,2 m; de kosten van herstel zijn gecalculeerd op € 10,71. Dit bedrag is toegekend bij besluit van 1 april 2020.
6029. Het Instituut heeft op de zitting toegelicht dat het verschil in schadebedrag (€ 3,55) verklaarbaar is, omdat [appellant] een ander calculatiemodel heeft gebruikt voor de berekening van de kosten. [appellant] heeft hier onvoldoende tegenover gesteld.
6130. Daarbij komt dat het Instituut in bezwaar navolgbaar heeft onderbouwd dat de scheur niet is veroorzaakt door mijnbouw en dat daaraan een andere oorzaak ten grondslag ligt. De scheurvorming in de betonvloer is volgens Pierik, gelet op de uiterlijke kenmerken, veroorzaakt tijdens het drogings- en uithardingsproces van de betonvloer. Door dit proces neemt het volume van de vloer af (krimp) en ontstaat spanning in de vloer die deze niet kan opnemen waardoor willekeurige scheuren ontstaan. Volgens Pierik is er evident een andere uitsluitende oorzaak. Verder is het gelet op de ter plaatse opgetreden trillingsnelheden, uiterst onwaarschijnlijk dat trillingen door aardbevingen van invloed zijn geweest op de waargenomen schade of de kosten van herstel. Het bewijsvermoeden is daarmee weerlegd. [appellant] heeft hier onvoldoende tegenover gesteld.
6231. Het betoog slaagt niet.
63Herstelmethode en vergoeding schade 25
6432. [appellant] betoogt dat de methode voor herstel van schade 25 niet toereikend is, omdat de hele gevel moet worden herbouwd en de herstelkosten daarop afgestemd moeten worden. In het nadere stuk van 20 februari 2025 heeft [appellant] onder verwijzing naar het tegenadvies van Vrieling de begroting van de herstelkosten beperkt tot € 16.067,65 en gaat hij uit van 65 m2 aan herstelwerkzaamheden.
65Beoordeling door de Afdeling
6633. Bij de begroting van vermogensschade is het uitgangspunt van het aansprakelijkheidsrecht dat degene die schade heeft geleden zoveel als mogelijk moet worden teruggebracht in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis zich niet zou hebben voorgedaan. Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539. De Afdeling volgt dit uitgangspunt.
6734. Bij zaakschade begroot het Instituut de schade aan de hand van de kosten die de aanvrager zou moeten maken om de schade te herstellen om te komen in een toestand die minimaal gelijkwaardig is aan de toestand waarin het gebouw zich bevond voordat het werd beschadigd. Het Instituut gaat hierbij uit van zowel cosmetisch als constructief herstel.
6835. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat het Instituut het calculatiemodel mag hanteren om de herstelkosten van schades op uniforme wijze te berekenen. Zie de uitspraken van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374 en 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2682.
6936. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door Nieuwenhuis geadviseerde herstelmethode voor schade 25 en de bijbehorende calculatie van € 12.489,33. Bij deze schade gaat het om uitvallend metselwerk in de achtergevel van de schuur van de woning. Tijdens de opname van de schade door de door het Instituut ingeschakelde deskundigen is vastgesteld dat de achtergevel was gestut en het metselwerk deels gesloopt. Dit blijkt uit foto’s uit het herziene advies. Daardoor kon Nieuwenhuis niet met zekerheid zeggen of (i) er sprake was van fysieke schade in de achtergevel (voordat het metselwerk was gesloopt) en (ii), zo ja, of deze fysieke schade is veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Desondanks heeft Nieuwenhuis (uit het oogpunt van ruimhartigheid) voor herstel van het metselwerk van het gehele bouwdeel (45 m2) een bedrag van € 12.489,33 gecalculeerd. Hierdoor kan het metselwerk worden hersteld en worden aangesloten op het al bestaande metselwerk van de rechterzijgevel van de schuur en het nieuw aangebrachte binnenblad van kalkzandsteenblokken. In het door [appellant] overgelegde tegenrapport van Vrieling wordt enkel geadviseerd dat voor een goede aansluiting met de andere geveldelen een oppervlakte van 65 m2 aan te vervangen metselwerk aan te houden. Daarmee is onvoldoende onderbouwd waarom de adviezen van de door het Instituut ingeschakelde deskundigen die uitgaan van een oppervlakte 45 m2 onjuist zijn.
7037. De conclusie is dat [appellant] onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor het oordeel dat het Instituut niet kon volstaan met de herstelmethode en bijbehorende calculatie van herstelkosten.
7138. Het betoog slaagt niet.
72Conclusie
7339. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7440. Het Instituut hoeft geen proceskosten te vergoeden.
75Beslissing
76De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
77bevestigt de aangevallen uitspraak.
78Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.
79w.g. Van Altena
80voorzitter
81w.g. Planken
82griffier
83Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2025
84299-1120