Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdRechtbank Noord-Nederlandenkelvoudige kamerProcedureelOngegrond

ECLI:NL:RBNNE:2023:1649

Rechtbank Noord-Nederland · 18 april 2023 · enkelvoudige kamer · Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak

Rb. Noord-Nederland 18 april 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1649

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

Eisers meenden dat het IMG een dwangsom had verbeurd omdat op hun eenvoudige aanvraag om vergoeding van fysieke schade niet tijdig was beslist. De rechtbank oordeelt dat de door het IMG gehanteerde beslistermijn van vijftien maanden niet onredelijk lang is, gelet op het grote aantal aanvragen, en verklaart het beroep ongegrond.

Citaat (regel 16)
“De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

    • Procedureel

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 20)
      “3. In beroep spitst het geschil zich toe op de vraag wat een redelijke termijn is bij een aanvraag om fysieke schadevergoeding, waarbij is verzocht om maatwerk.”
  • Kwesties

    • Redelijke termijn

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 25)
      “De rechtbank is van oordeel dat de door het Instituut gehanteerde beslistermijn van”
    • Procedureel (Awb)

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 19)
      “waarmee het Instituut zich in feite op het standpunt heeft gesteld dat het geen dwangsom heeft verbeurd wegens het uitblijven van een beslissing op de aanvraag”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

  • Uitspraak (dictum)

  • Gunstig voor

  • Toewijzing

    • Niet van toepassing

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 20)
      “In beroep spitst het geschil zich toe op de vraag wat een redelijke termijn is bij een aanvraag om fysieke schadevergoeding”
  • Gemachtigde

    • mr. I. Pijper · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 10)
      “(gemachtigden: mr. I. Pijper en mr. S.C. Goldbohm).”
    • mr. S.C. Goldbohm · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 10)
      “(gemachtigden: mr. I. Pijper en mr. S.C. Goldbohm).”
  • Datum besluit op bezwaar

  • Datum primair besluit

    • 4 februari 2022

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 19)
      “2. De reactie van 4 februari 2022 op de ingebrekestelling van 23 januari 2022 is een besluit”

Niet genoemd in de uitspraak: deskundigen, bedragen, aantal schades, trillingssterkte, plaats.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. Regel 26

    Goedgekeurd

    Een beslistermijn van vijftien maanden is niet onredelijk, omdat alle aanvragen, eenvoudig of complex, in grote aantallen meerdere handelingen vergen.

    “De eenvoud van een aanvraag is daarom naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet doorslaggevend.”
  2. Regel 26

    Goedgekeurd

    Sneller beslissen op eenvoudige aanvragen zou bewoners met omvangrijke dossiers nog langer laten wachten.

    “Daarbij zij opgemerkt dat het sneller moeten beslissen op eenvoudige aanvragen het ongewenste neveneffect zou kunnen hebben dat bewoners die wachten op de afhandeling van een omvangrijk schadedossier nog langer moeten wachten.”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

Mijnbouwschade. Het geschil spitst zich toe op de vraag wat een redelijke beslistermijn is bij een aanvraag om fysieke schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat de door het Instituut gehanteerde beslistermijn van vijftien maanden niet onredelijk lang is te achten. Hiertoe overweegt de rechtbank dat voor de behandeling van alle aanvragen -zowel eenvoudig als complex- geldt dat sprake is va…

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
2Zittingsplaats Groningen
3Bestuursrecht
4zaaknummer: LEE 22/3744
5proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
618 april 2023 in de zaak tussen
7[eisers] , uit [woonplaats] , eisers,
8en
9Instituut Mijnbouwschade Groningen, verweerder
10(gemachtigden: mr. I. Pijper en mr. S.C. Goldbohm).
11Zitting
12De rechtbank heeft het beroep van eisers tegen het bestreden besluit van het Instituut van
1322 september 2022 op 18 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigden van het Instituut.
14Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.
15Beslissing
16De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
17Overwegingen
181. In lijn met artikel 4:14 Awb is bij brief van 30 mei 2021 aan eisers medegedeeld dat niet binnen de wettelijke termijn van acht weken een besluit kan worden genomen en dat rekening moet worden gehouden met een beslistermijn van vijftien maanden.
192. De reactie van 4 februari 2022 op de ingebrekestelling van 23 januari 2022 is een besluit, waarmee het Instituut zich in feite op het standpunt heeft gesteld dat het geen dwangsom heeft verbeurd wegens het uitblijven van een beslissing op de aanvraag, zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:409.
203. In beroep spitst het geschil zich toe op de vraag wat een redelijke termijn is bij een aanvraag om fysieke schadevergoeding, waarbij is verzocht om maatwerk.
213.1. Het Instituut heeft naar voren gebracht dat het Instituut een zeer groot aantal aanvragen om maatwerkvergoeding in behandeling heeft, waarin een maatwerkbeoordeling wordt gevraagd op basis van een advies van een onafhankelijke deskundige. Volgens het Instituut vergt het een enorme capaciteit om al die aanvragen voortvarend en tegelijkertijd zorgvuldig te behandelen. Verder is vermeld dat op 24 mei 2022 een inhoudelijke beslissing op de aanvraag is genomen. Tot slot is verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van
222 april 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:2579, over de gestelde termijn van vijftien maanden.
233.2. Eisers hebben naar voren gebracht dat hun schadeaanvraag eenvoudig is en voornamelijk scheuren in stukwerk betreft. De aanvraag is volgens eisers niet te vergelijken met de beoordeling van een monument, waarover in de uitspraak van 2 april 2021 is beslist. Ook is betoogd dat de omstandigheden anno 2021/2022 anders zijn en het Instituut ruimschoots de tijd heeft gehad voldoende personeel aan te trekken en orde op zaken te brengen. Volgens eisers is het tijd dat het Instituut zich beraadt over haar aanpak en de rechtbank zich uitlaat over wat een redelijke termijn is voor het doen van een eenvoudige schadeaanvraag.
244. Met inachtneming van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1960, overweegt de rechtbank als volgt.
25De rechtbank is van oordeel dat de door het Instituut gehanteerde beslistermijn van
26vijftien maanden niet onredelijk lang is te achten. Hiertoe overweegt de rechtbank dat voor de behandeling van alle aanvragen -zowel eenvoudig als complex- geldt dat sprake is van een grote hoeveelheid aanvragen, die meerdere handelingen vereisen. Een en ander is door het Instituut in het verweerschrift ook toegelicht. De eenvoud van een aanvraag is daarom naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet doorslaggevend. Daarbij zij opgemerkt dat het sneller moeten beslissen op eenvoudige aanvragen het ongewenste neveneffect zou kunnen hebben dat bewoners die wachten op de afhandeling van een omvangrijk schadedossier nog langer moeten wachten.
275.
28Het beroep is ongegrond.
296. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
307. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
31Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2023 door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. E.T. de Boer, griffier.
32griffier
33rechter
34Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
35Informatie over hoger beroep
36Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.