Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdRechtbank Noord-Nederlandenkelvoudige kamerProcedureelOngegrond

ECLI:NL:RBNNE:2021:1834

Rechtbank Noord-Nederland · 12 mei 2021 · enkelvoudige kamer · Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig, Schadevergoedingsuitspraak

Rb. Noord-Nederland 12 mei 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:1834

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

Het IMG verklaarde het bezwaar van eiser tegen een schadebesluit niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. De rechtbank acht afwezigheid wegens vaartocht en vakantie geen reden voor verschoonbaarheid, verwerpt het beroep op beginselen van behoorlijk bestuur en de rechtsmiddelenclausule, en verklaart het beroep ongegrond.

Citaat (regel 43)
“De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

  • Kwesties

    • Procedureel (Awb)

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 38, r.o. 3.3)
      “Deze redenen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

  • Uitspraak (dictum)

  • Gunstig voor

  • Toewijzing

    • Niet van toepassing

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 40, r.o. 5)
      “heeft verweerder een juist besluit genomen door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren”
  • Gemachtigde

    • mr. P.M.J. de Goede · advocaat · namens aanvrager

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 7)
      “(gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede),”
    • mr. K.Winterink · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 10)
      “(gemachtigde: mr. K.Winterink).”
  • Bedrag

    • € 8.709,99 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 12)
      “heeft verweerder eiser een schadevergoeding toegekend van € 8.709,99.”
    • € 695,00 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 22, r.o. 1.3)
      “€ 8.709,99, vermeerderd met bijkomende kosten (€ 695,-) en rente (€ 425,16), in totaal”
    • € 425,16 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 22, r.o. 1.3)
      “€ 8.709,99, vermeerderd met bijkomende kosten (€ 695,-) en rente (€ 425,16), in totaal”
    • € 9.830,15 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 23, r.o. 1.3)
      “€ 9.830,15. In het besluit is vermeld dat binnen zes weken bezwaar kan worden gemaakt tegen het besluit.”
  • Datum besluit op bezwaar

    • 28 augustus 2020

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “In het besluit van 28 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.”
  • Datum primair besluit

    • 20 mei 2020

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 12)
      “In het besluit van 20 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een schadevergoeding toegekend van € 8.709,99.”

Niet genoemd in de uitspraak: deskundigen, aantal schades, trillingssterkte, plaats.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. r.o. 3.3

    Goedgekeurd

    Eiser bracht zich vrijwillig in de situatie dat weinig van de bezwaartermijn resteerde; dat komt voor zijn rekening.

    “Eiser heeft zich hiermee vrijwillig in de situatie gebracht dat van de zes weken van de bezwaartermijn er nog slechts circa een week resteerde.”
  2. r.o. 3.3

    Goedgekeurd

    De rechtsmiddelenclausule voldoet aan artikel 3:45 Awb.

    “Het primaire besluit bevat een rechtsmiddelenclausule die voldoet aan de eisen van artikel 3:45 van de Awb.”
  3. r.o. 4

    Goedgekeurd

    Het beroep op zorgvuldigheid, fair play, vertrouwen en evenredigheid slaagt niet.

    “Het beroep op de beginselen van behoorlijk bestuur kan niet slagen.”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

Mijnbouwschade. Verweerder heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend. De redenen die eiser heeft aangevoerd over het te laat indienen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar te achten. Het door eiser gedane beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur slaagt niet. Het beroep is…

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
2Zittingsplaats Groningen
3Bestuursrecht
4zaaknummer: LEE 20/2920
5uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2021 in de zaak tussen
6[eiser] , te [woonplaats] , eiser
7(gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede),
8en
9Instituut Mijnbouwschade Groningen, verweerder
10(gemachtigde: mr. K.Winterink).
11Procesverloop
12In het besluit van 20 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een schadevergoeding toegekend van € 8.709,99.
13In het besluit van 28 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
14Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
15Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
16Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
17Overwegingen
181. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
191.1. Eiser heeft op 10 januari 2018 een aanvraag om schadevergoeding ingediend bij de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (inmiddels het Instituut Mijnbouwschade Groningen, hierna: verweerder). Het gaat daarbij om een aanvraag ter vergoeding van geleden aardbevingsschade op het adres [adres] te [woonplaats] .
201.2. Op 4 september 2019 heeft deskundige Dimmendaal een adviesrapport uitgebracht aan verweerder. Op 28 oktober 2019 heeft eiser een zienswijze op het rapport ingediend. Naar aanleiding van deze zienswijze is op 1 mei 2020 een herzien adviesrapport uitgebracht.
211.3. In het primaire besluit heeft verweerder eiser een schadevergoeding toegekend van
22€ 8.709,99, vermeerderd met bijkomende kosten (€ 695,-) en rente (€ 425,16), in totaal
23€ 9.830,15. In het besluit is vermeld dat binnen zes weken bezwaar kan worden gemaakt tegen het besluit.
241.4. Op 22 mei 2020 heeft de zaakbegeleider van eiser hem een email gestuurd waarin wordt medegedeeld dat het besluit aanstaande is en er een bezwaartermijn van zes weken geldt.
251.5. Op 29 juni 2020 heeft eiser telefonisch contact opgenomen met verweerder over het instellen van bezwaar tegen het besluit.
261.6. Eiser heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De poststempel op de enveloppe van de brief waarmee bezwaar is ingesteld, vermeldt ‘6 juli 2020’ .
271.7. Bij brief van 16 juli 2020 heeft verweerder eiser bericht dat hij op uiterlijk 1 juli 2020 bezwaar had moeten maken en is eiser gevraagd om aan te geven waarom het bezwaarschrift na die datum is ingediend.
281.8. Eiser heeft gereageerd bij brief van 6 augustus 2020.
291.9. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk
30niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het te laat is ingediend.
312. Eiser voert in beroep - kort samengevat - het volgende aan. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het beginsel van fair play, en het evenredigheidsbeginsel. Het primaire besluit bevat daarnaast een verkeerde rechtsmiddelclausule: in het besluit is niet vermeld wat de consequenties zijn van een termijnoverschrijding en wordt niet gewezen op de mogelijkheid van pro forma bezwaar.
322.1. Volgens verweerder is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hij volhardt in het standpunt dat het bezwaar te laat is ingesteld en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
333. De rechtbank overweegt als volgt.
343.1. Het bezwaar is ingesteld nadat de bezwaartermijn van zes weken was verstreken. Het bezwaar was dus te laat. De termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim was. In dat geval blijft niet-ontvankelijkheid achterwege, dat staat in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
353.2. Eiser heeft als reden voor de termijnoverschrijding opgegeven dat hij op
3624 mei 2020 met zijn boot is vertrokken onder meer om te helpen bij een verbouwing van een woning van een familielid in Friesland, en om op vakantie te gaan, en dat hij omstreeks
3724 juni 2020 terugkeerde. Bij terugkeer trof hij bij de post het primaire besluit aan. Eiser vond het van belang om het bezwaarschrift te onderbouwen en wilde met het oog daarop een aannemer consulteren. Daarvoor resteerde in de periode tot 1 juli 2020 onvoldoende tijd.
383.3. Deze redenen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Eiser heeft tijdens zijn afwezigheid zijn post niet geopend of laten openen en ook de email van de zaaksbegeleider niet gelezen die hem op 22 mei 2020 informeerde dat het besluit aanstaande was. Ter zitting is onweersproken gebleven dat eiser in deze periode ook zijn digitale schadedossier niet heeft geraadpleegd. Eiser heeft zich hiermee vrijwillig in de situatie gebracht dat van de zes weken van de bezwaartermijn er nog slechts circa een week resteerde. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat eiser ervan uit mocht gaan dat de bezwaartermijn van zes weken geen harde termijn was. Het primaire besluit bevat een rechtsmiddelenclausule die voldoet aan de eisen van artikel 3:45 van de Awb. Daarnaast heeft de zaakbegeleider van eiser in zijn e-mail van 22 mei 2020 erop gewezen dat eiser binnen zes weken bezwaar moest maken. Bovendien is in het telefoongesprek op 29 juni 2020 aan eiser, in zijn eigen woorden, “ten stelligste” medegedeeld dat een verlenging van de termijn niet mogelijk was. De gevolgen van de keuze om niettemin te wachten met het indienen van het bezwaarschrift komen naar het oordeel van de rechtbank voor eigen rekening van eiser.
394. Het beroep op de beginselen van behoorlijk bestuur kan niet slagen. Ten aanzien van het zorgvuldigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat verweerder slechts is gehouden om te onderzoeken of er een reden is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019: 2974). Verder miskennen de stellingen over fair play de eigen verantwoordelijkheid van eiser voor het tijdig maken van bezwaar en het beroep, laat de beoordeling van de verschoonbaarheid geen ruimte voor het maken van een belangenafweging, en stuit het beroep op het vertrouwensbeginsel af op de onder overweging 3.3 van deze uitspraak genoemde informatievoorziening van verweerder.
405. Nu de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, heeft verweerder een juist besluit genomen door het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Dat betekent dat het beroep van eiser ongegrond is.
416. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in dit geval geen aanleiding.
42Beslissing
43De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
44Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van
45mr. R.E.J. Jansen, griffier, op 12 mei 2021. De uitspraak wordt op de eerstvolgende maandag na deze datum in het openbaar uitgesproken.
46griffier
47rechter
48Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
49Bent u het niet eens met deze uitspraak?
50Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.