Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdRaad van State (ABRvS)meervoudige kamerSchade aan een pandHoger beroep: uitspraak bevestigd

ECLI:NL:RVS:2026:3964

Raad van State (ABRvS) · 8 juli 2026 · meervoudige kamer · Hoger beroep

ABRvS 8 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3964

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

Eigenaren van een woning in Zuidbroek vroegen naast de toegekende vergoedingen om vergoeding van aan de schadeprocedure bestede uren, misgelopen bedrijfsinkomsten en kosten voor papier en toners. De Afdeling oordeelt dat het bewijsvermoeden niet geldt voor bijkomende kosten en dat vermogensschade en causaal verband niet aannemelijk zijn gemaakt; de uitspraak wordt bevestigd.

Citaat (regel 40)
“8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

    • Schade aan een pand

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “Bij besluit van 13 augustus 2021 heeft het Instituut de aanvraag van [appellant] om vergoeding van bijkomende kosten afgewezen”
  • Kwesties

    • Bijkomende kosten

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 34, r.o. 7.6)
      “De bestede tijd moet tot vermogensschade (of ander nadeel) zijn te herleiden, waarbij deze schade bovendien aantoonbaar het gevolg moet zijn van de fysieke mijnbouwschade aan de woning.”
    • Bewijsvermoeden

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 33)
      “7.5. De Afdeling stelt verder vast dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a van het BW niet van toepassing is op een aanvraag om vergoeding van bijkomende kosten.”
    • Vaste vergoeding

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 32, r.o. 7.4)
      “Het is aan de aanvrager om de vermogensschade te onderbouwen voor zover deze stelt dat de schade hoger is dan de toegekende forfaitaire overlastvergoeding”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

  • Uitspraak (dictum)

  • Gunstig voor

    • IMG of NAM

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 40)
      “8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.”
  • Toewijzing

  • Gemachtigde

    • mr. S. van Gent · advocaat · namens aanvrager

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 18)
      “bijgestaan door mr. S. van Gent, advocaat in Zwolle”
    • mr. S.C. Goldbohm · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 18)
      “vertegenwoordigd door mr. S.C. Goldbohm en mr. B.P. van der Togt”
    • mr. B.P. van der Togt · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 18)
      “vertegenwoordigd door mr. S.C. Goldbohm en mr. B.P. van der Togt”
  • Bedrag

    • € 30.480,00 · gevorderd

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 21, r.o. 2)
      “Verder heeft [appellant] op 30 september 2019 een overzicht van zijn onkosten met een totaalbedrag van € 30.480,00 overgelegd.”
    • € 2.625,26 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 22)
      “3. [appellant] heeft een vergoeding van € 2.625,26 voor fysieke schade aan de woning ontvangen.”
    • € 10.916,80 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 22, r.o. 3)
      “Daarnaast heeft [appellant] in totaal een vergoeding van € 10.916,80 aan bijkomende kosten ontvangen, waarvan € 1.000,00 als overlastvergoeding.”
    • € 1.000,00 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 22, r.o. 3)
      “Daarnaast heeft [appellant] in totaal een vergoeding van € 10.916,80 aan bijkomende kosten ontvangen, waarvan € 1.000,00 als overlastvergoeding.”
    • € 250,00 · gevorderd

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 28, r.o. 7)
      “Ook betoogt [appellant] dat ten onrechte de overige kosten die hij zelf heeft geschat op een bedrag van € 250,00 niet vergoed zijn.”
  • Datum besluit op bezwaar

    • 27 juni 2023

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 14)
      “Bij besluit van 27 juni 2023 heeft het Instituut het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.”
  • Datum primair besluit

    • 13 augustus 2021

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “Bij besluit van 13 augustus 2021 heeft het Instituut de aanvraag van [appellant] om vergoeding van bijkomende kosten afgewezen”

Niet genoemd in de uitspraak: deskundigen, aantal schades, trillingssterkte, plaats.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. Regel 33

    Goedgekeurd

    Het bewijsvermoeden geldt niet voor bijkomende kosten; de aanvrager moet het causaal verband met de fysieke mijnbouwschade bewijzen.

    “7.5. De Afdeling stelt verder vast dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a van het BW niet van toepassing is op een aanvraag om vergoeding van bijkomende kosten.”
  2. r.o. 7.6

    Goedgekeurd

    Aan de procedure bestede tijd komt alleen voor vergoeding in aanmerking als die tot vermogensschade leidt; de administratieve uren zijn niet als verloren bedrijfstijd onderbouwd.

    “Het enkele feit dat [appellant] tijd in de procedure heeft gestoken om de schade aan de woning vergoed te krijgen brengt dus niet automatisch mee dat die tijd voor vergoeding in aanmerking komt.”
  3. r.o. 7.8

    Goedgekeurd

    Er is geen causaal verband aangetoond tussen misgelopen opdrachten en de afhandeling van de mijnbouwschade.

    “Uit de overgelegde stukken kan dus niet afgeleid worden dat de omzetdaling in 2018 het gevolg is van de afhandeling van de schade aan de woning.”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

Bij besluit van 13 augustus 2021 heeft Instituut Mijnbouwschade Groningen de aanvraag van [appellant] om vergoeding van bijkomende kosten afgewezen voor zover het gaat om de tijd die gemoeid is met de afhandeling van de aanvraag, de misgelopen inkomsten uit eigen onderneming en de overige kosten voor onder meer papier en toners. [appellant] is door vererving sinds 2016 eigenaar van de twee-onder-…

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1202500150/1/A2.
2Datum uitspraak: 8 juli 2026
3AFDELING
4BESTUURSRECHTSPRAAK
5Uitspraak op het hoger beroep van:
6[appellant A] en [appellant B] (gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), wonend in [woonplaats],
7appellanten,
8tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 28 november 2024 in zaak nr. 23/3293 in het geding tussen:
9[appellant]
10en
11Instituut Mijnbouwschade Groningen.
12Procesverloop
13Bij besluit van 13 augustus 2021 heeft het Instituut de aanvraag van [appellant] om vergoeding van bijkomende kosten afgewezen voor zover het gaat om de tijd die gemoeid is met de afhandeling van de aanvraag, de misgelopen inkomsten uit eigen onderneming en de overige kosten voor onder meer papier en toners.
14Bij besluit van 27 juni 2023 heeft het Instituut het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
15Bij uitspraak van 28 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
16Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
17Het Instituut heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
18De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. van Gent, advocaat in Zwolle, en het Instituut, vertegenwoordigd door mr. S.C. Goldbohm en mr. B.P. van der Togt, zijn verschenen.
19Overwegingen
201. [appellant] is door vererving sinds 2016 eigenaar van de twee-onder-een-kapwoning aan de [locatie] in Zuidbroek (de woning). [appellant] exploiteert met zijn [bedrijf] een elektrotechnisch installateurs- en reparateursbedrijf.
212. Tijdens het opknappen van de woning voor verhuur heeft [appellant] mijnbouwschade aan de woning ontdekt. Hij heeft op 9 maart 2018 bij de voorganger van het Instituut, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, een vergoeding voor de schade aan de woning aangevraagd. Verder heeft [appellant] op 30 september 2019 een overzicht van zijn onkosten met een totaalbedrag van € 30.480,00 overgelegd. Het Instituut heeft dit opgevat als een (afzonderlijke) aanvraag om vergoeding van de bijkomende kosten.
223. [appellant] heeft een vergoeding van € 2.625,26 voor fysieke schade aan de woning ontvangen. Daarnaast heeft [appellant] in totaal een vergoeding van € 10.916,80 aan bijkomende kosten ontvangen, waarvan € 1.000,00 als overlastvergoeding. Met het besluit van 13 augustus 2021, gehandhaafd bij besluit van 27 juni 2023, heeft het Instituut de aanvraag om vergoeding van bijkomende kosten voor zover deze betrekking had op vergoeding van de (overige) tijd gemoeid met de afhandeling van de aanvraag, de misgelopen inkomsten uit eigen onderneming en de overige kosten voor onder meer papier en toners afgewezen.
23Uitspraak van de rechtbank
244. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat [appellant] kosten heeft moeten maken of in een nadeligere positie is komen te verkeren door werkzaamheden uit te voeren die betrekking hebben op de schadeafhandeling van de woning. [appellant] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat alle tijd gemoeid met de afhandeling van de aanvraag om schadevergoeding onder werktijd van het bedrijf is besteed. Verder strekt de toegekende overlastvergoeding tot vergoeding van immateriële schade die het gevolg is van (de procedure tot afhandeling van) de fysieke schade. Volgens de rechtbank is deze schadepost daarmee genoegzaam vergoed.
255. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het Instituut zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde misgelopen bedrijfsomzet niet voor vergoeding in aanmerking komt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een causaal verband is tussen het mislopen van opdrachten en (de werkzaamheden voor de afhandeling van) de mijnbouwschade.
266. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] niet heeft onderbouwd dat een bedrag van € 250,00 aan overige kosten voor onder meer papier en toners is gemaakt. Volgens de rechtbank heeft het Instituut kunnen volstaan met de toegekende overlastvergoeding.
27Beoordeling van het hoger beroep
287. [appellant] betoogt dat er ten onrechte geen vergoeding is toegekend voor de aan de procedure bestede honderd uren. Ook betoogt [appellant] dat er ten onrechte geen vergoeding is toegekend voor de 204 uren aan misgelopen inkomsten uit het bedrijf. Hij wijst erop dat er onevenredig veel tijd in de procedure is gaan zitten die [appellant] niet aan de onderneming heeft kunnen besteden. Dat blijkt ook uit overgelegde offertes van de gemiste opdrachten en verklaringen daarover van de opdrachtgevers. Volgens hem moeten de gemaakte kosten in de vorm van tijd desnoods schattenderwijs worden vergoed. Ook betoogt [appellant] dat ten onrechte de overige kosten die hij zelf heeft geschat op een bedrag van € 250,00 niet vergoed zijn.
297.1. Op grond van artikel 10 van de Tijdelijke wet Groningen (TwG) en artikel 2.6 van de Procedure en Werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (regeling), en de toelichting daarop, kan het Instituut een vergoeding toekennen voor de bijkomende kosten die zijn veroorzaakt door de fysieke schade als voor fysieke (mijnbouw)schade aan een gebouw of werk een schadevergoeding is toegekend. In artikel 2.7 van de regeling is bepaald dat het Instituut een overlastvergoeding kan toekennen, als schadevergoeding is toegekend voor fysieke schade aan een gebouw of werk. De overlastvergoeding strekt tot vergoeding van de immateriële schade die een gevolg is van de geleden fysieke schade, alsook het nadeel dat een gevolg is van de procedure tot afhandeling.
307.2. [appellant] en het Instituut verschillen van mening of de door [appellant] gestelde kosten die gemoeid zijn met de afhandeling van de procedure naast de toegekende overlastvergoeding (volledig) moeten worden vergoed.
317.3. De Afdeling stelt voorop dat [appellant] in het hogerberoepschrift terecht opmerkt dat het Instituut de aanvraag om vergoeding van schade moet beoordelen, vaststellen en vergoeden aan de hand van de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit volgt ook uit artikel 2, zesde lid, van de TwG.
327.4. Op grond van artikel 6:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed uit vermogensschade en ander nadeel. Vermogensschade omvat volgens artikel 6:96, eerste lid, van het BW zowel geleden verlies als gederfde winst. Het is aan de aanvrager om de vermogensschade te onderbouwen voor zover deze stelt dat de schade hoger is dan de toegekende forfaitaire overlastvergoeding die mede strekt tot vergoeding van het nadeel dat een gevolg is van de procedure tot afhandeling.
337.5. De Afdeling stelt verder vast dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a van het BW niet van toepassing is op een aanvraag om vergoeding van bijkomende kosten. Dit betekent dat het in beginsel ook aan de aanvrager is om, bij gemotiveerde betwisting daarvan door het Instituut, het gestelde oorzakelijke verband tussen de voor vergoeding in aanmerking komende schade en (de fysieke schade door) de gaswinning in Groningen te bewijzen.
347.6. Het enkele feit dat [appellant] tijd in de procedure heeft gestoken om de schade aan de woning vergoed te krijgen brengt dus niet automatisch mee dat die tijd voor vergoeding in aanmerking komt. De bestede tijd moet tot vermogensschade (of ander nadeel) zijn te herleiden, waarbij deze schade bovendien aantoonbaar het gevolg moet zijn van de fysieke mijnbouwschade aan de woning.
357.7. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] in dit geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voornamelijk door [appellant B] aan de procedure bestede honderd uur over de periode vanaf de schademelding op 9 maart 2018 tot en met het besluit van 18 december 2020 heeft geleid tot vermogensschade die het gevolg is van de fysieke mijnbouwschade aan de woning. Uit het door [appellant] overgelegde logboek kan niet opgemaakt worden dat als zij deze tijd niet had besteed aan de procedure, de firma in een voordeligere vermogenspositie was komen te verkeren. Daar komt bij dat [appellant B] op zitting heeft bevestigd dat zij geen installateur is die de opdrachten uitvoert bij de klanten. Daarmee gaat het dus niet om werkuren die in rekening gebracht konden worden bij de klanten, maar om administratieve werkzaamheden, waarvan bovendien onvoldoende is onderbouwd dat het om voor de firma verloren tijd gaat.
367.8. De Afdeling is verder met de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen het mislopen van de opdrachten en (de werkzaamheden voor de afhandeling van) de mijnbouwschade. Uit de overgelegde offertes en verklaringen volgt niet dat de bedrijfsopdrachten niet zijn doorgegaan door (de werkzaamheden voor de afhandeling van) de mijnbouwschade. Uit het op 10 april 2026 overgelegde overzicht van de resultaten over de periode van 2017 tot en met 2024 volgt evenmin dat in de ter beoordeling voorliggende periode vanaf de zomer van 2018 inkomsten door de afhandeling van de mijnbouwschade zijn gederfd. Daarbij is alleen het jaar 2017 onvoldoende om als referentieperiode te dienen. Bovendien blijkt uit de op zitting door [appellant] genoemde resultaten over de jaren 2014 tot en met 2016 dat het bedrijfsresultaat fluctueert en dat de omzet over twee van die eerdere jaren ook lager was dan het resultaat van 2018. Uit de overgelegde stukken kan dus niet afgeleid worden dat de omzetdaling in 2018 het gevolg is van de afhandeling van de schade aan de woning.
377.9. De Afdeling is tot slot met de rechtbank van oordeel dat [appellant] de overige gestelde schadekosten ter hoogte van ongeveer € 250,00 voor onder meer papier en toners niet heeft onderbouwd. [appellant] heeft niet inzichtelijk gemaakt, bijvoorbeeld met facturen, dat hij deze kosten noodzakelijkerwijs heeft moeten maken. Dat [appellant] er de voorkeur aan gaf om alle communicatie en stukken te printen, zoals op de zitting is toegelicht, is bovendien een eigen keuze nu de procedure bij het Instituut geheel digitaal verliep. Deze gestelde schade staat bovendien niet in zodanig verband met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van het Instituut berust, dat zij hem als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
387.10. De betogen slagen niet.
39Conclusie
408. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
419. Het Instituut hoeft geen proceskosten te vergoeden.
42Beslissing
43De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
44bevestigt de aangevallen uitspraak.
45Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.
46w.g. Den Ouden
47voorzitter
48w.g. Kouidar
49griffier
50Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026
511120