Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdRaad van State (ABRvS)enkelvoudige kamerWaardedalingHoger beroep: uitspraak bevestigd

ECLI:NL:RVS:2025:740

Raad van State (ABRvS) · 26 februari 2025 · enkelvoudige kamer · Hoger beroep

ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:740

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

Een eigenaar van twee woningen kreeg van het IMG waardedalingsvergoedingen (€ 4.955,75 en € 2.405,81) op basis van de WOZ-waarden per 1 januari 2019. Hij vond dat die WOZ-waarden door fysieke aardbevingsschade te laag waren. De Afdeling oordeelt dat het IMG de regeling juist heeft toegepast en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Citaat (regel 47)
“23. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

    • Waardedaling

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “Bij besluiten van 12 april 2021 en 15 april 2021 heeft het Instituut aan [appellant] schadevergoedingen toegekend voor waardedaling van zijn woningen.”
  • Kwesties

    • Vaste vergoeding

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 37)
      “14. De Afdeling stelt vast dat het Instituut de regeling juist heeft toegepast door uit te gaan van de WOZ-waardes van de woningen op 1 januari 2019.”
    • Overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 39, r.o. 16)
      “Uit de WOZ-taxatieverslagen van de woningen over het jaar 2019 volgt niet dat de WOZ-waardes van de woningen zijn bijgesteld als gevolg van fysieke aardbevingsschade.”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

  • Uitspraak (dictum)

  • Gunstig voor

    • IMG of NAM

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 47)
      “23. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.”
  • Toewijzing

    • Gedeeltelijk toegewezen

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “Bij besluiten van 12 april 2021 en 15 april 2021 heeft het Instituut aan [appellant] schadevergoedingen toegekend voor waardedaling van zijn woningen.”
  • Gemachtigde

    • mr. A.M. Wenniger · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 18)
      “vertegenwoordigd door mr. A.M. Wenniger en mr. C.L. Kuipers”
    • mr. C.L. Kuipers · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 18)
      “vertegenwoordigd door mr. A.M. Wenniger en mr. C.L. Kuipers”
  • Deskundige

    • Atlas voor gemeenten (tegenwoordig Atlas Research) · methodedeskundige · rechter volgt het advies

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 32, r.o. 10)
      “heeft de Afdeling geoordeeld dat het model van Atlas voor de afwikkeling van grote aantallen zaken van eigenaren in het risicogebied als geheel tot redelijke en aanvaardbare uitkomsten leidt.”
  • Bedrag

    • € 4.955,75 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 21, r.o. 2)
      “aan [appellant] een vergoeding voor waardedaling van € 4955,75, te vermeerderen met de wettelijke rente, voor de woning aan de [locatie 1] toekend.”
    • € 2.405,81 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 22, r.o. 3)
      “aan [appellant] een vergoeding van waardedaling van € 2405,81, te vermeerderen met wettelijke rente, toegekend voor de woning aan de [locatie 2].”
    • € 131.000,00 · overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 21, r.o. 2)
      “Daarbij is het Instituut uitgegaan van de WOZ-waarde van deze woning van € 131.000,- op de peildatum 1 januari 2019.”
    • € 86.000,00 · overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 22, r.o. 3)
      “Daarbij is het Instituut uitgegaan van de WOZ-waarde van deze woning van € 86.000,- op de peildatum 1 januari 2019.”
  • Datum besluit op bezwaar

    • 5 januari 2022

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 14)
      “Bij besluiten van 5 januari 2022 heeft het Instituut de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.”
  • Datum primair besluit

    • 12 april 2021

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “Bij besluiten van 12 april 2021 en 15 april 2021 heeft het Instituut aan [appellant] schadevergoedingen toegekend voor waardedaling van zijn woningen.”

Niet genoemd in de uitspraak: aantal schades, trillingssterkte, plaats.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. Regel 37

    Goedgekeurd

    Het IMG mocht uitgaan van de WOZ-waarden op peildatum 1 januari 2019; daarvan wordt alleen afgeweken als verifieerbaar is dat de WOZ-waarde wegens fysieke schade is verlaagd.

    “14. De Afdeling stelt vast dat het Instituut de regeling juist heeft toegepast door uit te gaan van de WOZ-waardes van de woningen op 1 januari 2019.”
  2. r.o. 16

    Goedgekeurd

    Uit de WOZ-stukken blijkt niet dat de waarden wegens aardbevingsschade zijn verlaagd; bezwaar tegen de WOZ-waarde had via de WOZ-procedure gemoeten.

    “Indien [appellant] van mening was dat de WOZ-waardes op de peildatum van 1 januari 2019 niet juist zijn vastgesteld, had hij daartegen bezwaar en beroep kunnen instellen.”
  3. r.o. 21

    Goedgekeurd

    Hogere WOZ-waarden van nabijgelegen woningen zijn geen relevant gegeven voor de waardedalingsvergoeding.

    “Uit de hogere WOZ-waarde van onder meer de woning van zijn buurman, volgt niet dat de waarde van de woningen van [appellant] lager zijn door aardbevingsschade.”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

Bij besluiten van 12 april 2021 en 15 april 2021 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen aan [appellant] schadevergoedingen toegekend voor waardedaling van zijn woningen. Sinds 21 oktober 1970 is [appellant] eigenaar van de woning aan de [locatie 1]. Sinds 24 oktober 1978 is [appellant] ook eigenaar van de woning aan de [locatie 2]. Op 7 maart 2021 heeft [appellant] voor beide woningen een a…

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1202305463/1/A2.
2Datum uitspraak: 26 februari 2025
3AFDELING
4BESTUURSRECHTSPRAAK
5Uitspraak op het hoger beroep van:
6[appellant], wonend in [woonplaats],
7appellant,
8tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 27 juni 2023 in zaak nrs. 22/1029 en 22/2318 in het geding tussen:
9[appellant]
10en
11Instituut Mijnbouwschade Groningen.
12Procesverloop
13Bij besluiten van 12 april 2021 en 15 april 2021 heeft het Instituut aan [appellant] schadevergoedingen toegekend voor waardedaling van zijn woningen.
14Bij besluiten van 5 januari 2022 heeft het Instituut de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
15Bij uitspraak van 27 juni 2023 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
16Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
17Het Instituut heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
18De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2025, waar [appellant] en het Instituut, vertegenwoordigd door mr. A.M. Wenniger en mr. C.L. Kuipers, zijn verschenen.
19Overwegingen
201. Sinds 21 oktober 1970 is [appellant] eigenaar van de woning aan de [locatie 1]. Sinds 24 oktober 1978 is [appellant] ook eigenaar van de woning aan de [locatie 2]. Op 7 maart 2021 heeft [appellant] voor beide woningen een aanvraag voor vergoeding voor waardedaling van de woningen ingediend.
212. Het Instituut heeft bij besluit van 12 april 2021, gehandhaafd bij besluit van 5 januari 2022, aan [appellant] een vergoeding voor waardedaling van € 4955,75, te vermeerderen met de wettelijke rente, voor de woning aan de [locatie 1] toekend. Daarbij is het Instituut uitgegaan van de WOZ-waarde van deze woning van € 131.000,- op de peildatum 1 januari 2019.
223. Verder heeft het Instituut bij besluit van 15 april 2021, gehandhaafd bij besluit van 5 januari 2022, aan [appellant] een vergoeding van waardedaling van € 2405,81, te vermeerderen met wettelijke rente, toegekend voor de woning aan de [locatie 2]. Daarbij is het Instituut uitgegaan van de WOZ-waarde van deze woning van € 86.000,- op de peildatum 1 januari 2019.
23Uitspraak van de rechtbank
244. Volgens de rechtbank is het Instituut bij de vaststelling van de schade door waardedaling terecht uitgegaan van de WOZ-waarde van de woningen op 1 januari 2019. [appellant] heeft niet aangetoond dat de WOZ-waarde is verlaagd wegens fysieke mijnbouwschade. Dat er mogelijk fysieke schade is aan de woningen, betekent nog niet dat daardoor ook schade in de vorm van waardedaling is ontstaan. Het Instituut hoefde ook niet uit te gaan van de WOZ-waarde van een andere, in de buurt gelegen woning, aldus de rechtbank.
25Hoger beroep van [appellant]
265. Volgens [appellant] heeft de rechtbank miskend dat door fysieke aardbevingsschade de waarde van zijn woningen is gedaald. De vastgestelde WOZ-waarde op de peildatum van 1 januari 2019 is door de fysieke aardbevingsschade beïnvloed. [appellant] stelt dat de WOZ-waarde van de woning aan de [locatie 1] zonder de fysieke aardbevingsschade € 200.000,- had moeten zijn. De WOZ-waarde van de woning aan de [locatie 2] had zonder de fysieke aardbevingsschade € 140.000,- moeten zijn. Ook stelt [appellant] recht te hebben op een vergoeding van immateriële schade.
27Regeling waardedaling
286. De van toepassing zijnde regeling voor de begroting van waardedaling van woningen (hierna: de regeling) is neergelegd in de Procedure en werkwijze van het Instituut (art. 3.2-3.5).
297. Het Instituut kent op aanvraag vergoedingen toe voor waardedaling van woningen als gevolg van aardbevingen en het risico daarop. In de regeling is neergelegd dat het Instituut de ontstane waardedaling in het aardbevingsgebied aan de hand van de methode van Atlas voor gemeenten (tegenwoordig Atlas Research; verder: Atlas) begroot. Het Instituut volgt daarbij de adviezen van de onafhankelijke Adviescommissie Waardedaling woningen aardbevingsgebied Groningen (hierna: de adviescommissie). Deze adviescommissie bestaat uit mr. A. Hammerstein, prof. dr. J. Rouwendal en prof. dr. P.J. Boelhouwer.
308. Het Instituut begroot de waardedaling in het risicogebied in de periode van 16 augustus 2012 tot 1 januari 2019 enerzijds op basis van het imago-effect van 2,29 procent plus een zekerheidstoeslag van 0,43 procent. Dit wordt eenmalig uitgekeerd aan degene(n) die op 16 augustus 2012 eigenaar is/zijn van de woning. Daarnaast berekent het Instituut de waardedaling aan de hand van het aantal bevingen boven de 2,9 mm/s die in een (zespositie)postcodegebied hebben plaatsgevonden. Per beving wordt een percentage toegekend van 0,82% die met een zekerheidstoeslag van 0,10% wordt verhoogd. De omvang van de waardedaling wordt berekend aan de hand van de WOZ-waarde op 1 januari 2019. Indien een woning vóór die tijd is verkocht, gaat het Instituut uit van de verkoopwaarde van een woning. De aldus berekende vergoeding voor waardedaling heeft in beginsel een definitief karakter.
319. De Afdeling verwijst voor de beschrijving van de verdere inhoud van de regeling op hoofdlijnen naar haar uitspraak van 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3218, onder 11-16.
3210. In de uitspraak van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1536, heeft de Afdeling geoordeeld dat het model van Atlas voor de afwikkeling van grote aantallen zaken van eigenaren in het risicogebied als geheel tot redelijke en aanvaardbare uitkomsten leidt. In individuele gevallen bestaat ruimte om onevenredige uitkomsten van het model van Atlas te corrigeren met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
33Beoordeling van het hoger beroep
3411. In deze procedure gaat het om de vergoeding van schade in de vorm van waardedaling die is opgetreden doordat de woning in het aardbevingsgebied ligt. Fysieke schade en immateriële schade door de gaswinning blijven daarom in deze procedure verder buiten beschouwing.
3512. In de uitspraak van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:156, onder 21, heeft de Afdeling geoordeeld dat het Instituut bij de modelmatige berekening van waardedaling mag uitgaan van de WOZ-waarde op 1 januari 2019. [appellant] bestrijdt ook niet dat het Instituut bij het vaststellen van de waardedalingsvergoeding 1 januari 2019 als peildatum mocht hanteren.
3613. In geschil is of het Instituut voor de bepaling van de waardedalingsvergoeding terecht van de WOZ-waarde van € 131.000,- voor de woning aan de [locatie 1] en van de WOZ-waarde van € 86.000,- voor de woning aan de [locatie 2] op 1 januari 2019 is uitgegaan.
3714. De Afdeling stelt vast dat het Instituut de regeling juist heeft toegepast door uit te gaan van de WOZ-waardes van de woningen op 1 januari 2019. [appellant] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Instituut met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van de regeling had behoren af te wijken.
3815. Het Instituut heeft toegelicht dat alleen in het geval het Instituut kan verifiëren dat de WOZ-waarde is verlaagd wegens fysieke aardbevingsschade aan een woning, de vergoeding voor waardedaling wordt berekend over de WOZ-waarde die is vastgesteld op de peildatum 1 januari 2019, vermeerderd met het bedrag dat is afgetrokken van de WOZ-waarde wegens fysieke schade aan de woning die nog niet is hersteld. Dit blijkt in de regel uit de WOZ-beschikking of uit het besluit op een daartegen gemaakt bezwaar.
3916. Uit de WOZ-taxatieverslagen van de woningen over het jaar 2019 volgt niet dat de WOZ-waardes van de woningen zijn bijgesteld als gevolg van fysieke aardbevingsschade. Indien [appellant] van mening was dat de WOZ-waardes op de peildatum van 1 januari 2019 niet juist zijn vastgesteld, had hij daartegen bezwaar en beroep kunnen instellen. Nu daarvan niet is gebleken, is het Instituut terecht uitgegaan van de op 1 januari 2019 vastgestelde WOZ-waardes van € 131.000,- en € 86.000,-.
4017. Het betoog van [appellant] dat het Instituut aanleiding had moeten zien om af te wijken van de regeling omdat in voorgaande jaren de WOZ-waardes lager zijn vastgesteld wegens fysieke aardbevingsschade en de vastgestelde waardes op 1 januari 2019 daarom niet reëel zijn, leidt niet tot een ander oordeel.
4118. Voor de woning aan de [locatie 1] heeft [appellant] een besluit van de heffingsambtenaar van 14 oktober 2019 overgelegd. In dit besluit is zijn bezwaar tegen de beschikking, waarin de WOZ-waarde van de woning voor 2018 is vastgesteld, gegrond verklaard en is de WOZ-waarde van de woning voor dat jaar verlaagd van € 151.000,- naar € 120.000,-. Anders dan [appellant] betoogt, volgt uit dit besluit niet dat de WOZ-waarde van de woning is verlaagd wegens aardbevingsschade.
4219. In het besluit van 14 oktober 2019 is namelijk vermeld: "Omdat nog geen schaderapport bekend is, is het voor de gemeente niet bekend met welk bedrag rekening gehouden moet gaan worden. Zodra u een geaccepteerd schaderapport in bezit hebt, kunt u deze inleveren bij de gemeente [woonplaats]. Het schadebedrag zal in overleg met u in mindering worden gebracht op de WOZ-waarde." Op de zitting heeft [appellant] bevestigd dat er geen geaccepteerd schaderapport is opgesteld. Daaruit volgt dat de WOZ-waarde in 2018 op andere gronden naar beneden is bijgesteld. Met dit besluit heeft [appellant] dus niet aannemelijk gemaakt dat het Instituut had moeten afwijken van de regeling door niet uit te gaan van de vastgestelde WOZ-waarde op de peildatum 1 januari 2019.
4320. Voor de woning aan de [locatie 2] heeft [appellant] evenmin onderbouwd dat de WOZ-waarde in voorgaande jaren is verlaagd als gevolg van fysieke aardbevingsschade. De enkele stelling dat dat wel het geval is, is onvoldoende.
4421. Op de zitting heeft [appellant] nog gewezen op hogere WOZ-waarden van nabijgelegen vergelijkbare woningen. Anders dan [appellant] betoogt, is dit geen relevant gegeven waarmee het Instituut rekening moet houden bij het vaststellen van de waardedalingsvergoeding. Uit de hogere WOZ-waarde van onder meer de woning van zijn buurman, volgt niet dat de waarde van de woningen van [appellant] lager zijn door aardbevingsschade. De hogere waarde kan door meerdere omstandigheden verklaard worden, zoals de realisatie van een aanbouw en de staat van het onderhoud van de woning.
4522. Het betoog slaagt niet.
46Conclusie
4723. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
4824. Het Instituut hoeft geen proceskosten te vergoeden.
49Beslissing
50De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
51bevestigt de aangevallen uitspraak.
52Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.
53w.g. Van Altena
54lid van de enkelvoudige kamer
55w.g. Planken
56griffier
57Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2025
58299-1120