Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdRaad van State (ABRvS)meervoudige kamerWaardedalingHoger beroep: uitspraak bevestigd

ECLI:NL:RVS:2023:1132

Raad van State (ABRvS) · 22 maart 2023 · meervoudige kamer · Hoger beroep

ABRvS 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1132

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

Een voormalig eigenaar van een woning in Losdorp betwistte de hoogte van de waardedalingsvergoeding: het IMG ging uit van de verkoopprijs en vergoedde de helft omdat zijn ex-echtgenote tot de verdeling in 2018 voor 50 procent eigenaar was. De Afdeling oordeelde dat het IMG de verkoopprijs en het eigendomsaandeel uit het kadaster mocht hanteren en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

Citaat (regel 51, r.o. 8.4)
“Het hoger beroep is ongegrond. [appellant] krijgt dus geen gelijk. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

    • Waardedaling

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 12)
      “Bij besluit van 14 januari 2021 heeft het Instituut een aanvraag van [appellant] om vergoeding van waardedaling van een woning afgewezen.”
  • Kwesties

    • Overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 48, r.o. 8.4)
      “Dat betekent dat het Instituut terecht aan [appellant] een vergoeding voor de helft van de waardedaling heeft toegekend.”
    • Overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 43, r.o. 8.3)
      “Omdat [appellant] de woning op de vrije markt heeft verkocht voor het bedrag van € 178.000,00, mocht het Instituut ervan uitgaan dat deze verkoopprijs de waarde van de woning in het economisch verkeer weergaf, zoals ook uit de regeling volgt.”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

  • Uitspraak (dictum)

  • Gunstig voor

  • Toewijzing

    • Afgewezen

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 51, r.o. 8.4)
      “Dat betekent dat de aan [appellant] toegekende vergoeding niet wordt verhoogd.”
  • Gemachtigde

    • mr. M. Zuidema · advocaat · namens aanvrager

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 18)
      “waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Zuidema, en het Instituut”
    • mr. M.J.W. Timmer · advocaat · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 18)
      “vertegenwoordigd door mr. M.J.W. Timmer, advocaat te Den Haag”
    • mr. F. Sikkema · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 18)
      “vergezeld door dr. J.P. Poort, werkzaam bij Atlas Research, en door mr. F. Sikkema, zijn verschenen.”
  • Deskundige

    • Atlas Research (dr. J.P. Poort) · methodedeskundige · geen oordeel van de rechter

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 18)
      “vergezeld door dr. J.P. Poort, werkzaam bij Atlas Research, en door mr. F. Sikkema, zijn verschenen.”
  • Bedrag

    • € 6.102,22 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “[appellant] een schadevergoeding toegekend van € 6.102,22, te vermeerderen met de wettelijke rente van € 312,97, voor waardedaling van een woning.”
    • € 225.000,00 · overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 38, r.o. 8)
      “[appellant] betoogt dat de woning ten tijde van de verkoop een waarde van € 225.000,00 zou hebben gehad als deze niet in het risicogebied had gelegen.”
    • € 178.000,00 · overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 23, r.o. 3)
      “Op 25 september 2019 heeft [appellant] de woning voor een bedrag van € 178.000,00 verkocht.”
    • € 12.204,45 · overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 30, r.o. 5)
      “Op basis van de verkoopprijs is de waardedaling over de periode van 16 augustus 2012 tot 14 november 2018 berekend op € 12.204,45.”
  • Plaats

    • Losdorp

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 22, r.o. 2)
      “heeft [appellant] de woning aan de [locatie] te Losdorp (hierna de woning) voor een bedrag van € 105.000 gekocht.”
  • Datum besluit op bezwaar

    • 21 mei 2021

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “Bij besluit van 21 mei 2021 heeft het Instituut het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard”
  • Datum primair besluit

    • 14 januari 2021

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 12)
      “Bij besluit van 14 januari 2021 heeft het Instituut een aanvraag van [appellant] om vergoeding van waardedaling van een woning afgewezen.”

Niet genoemd in de uitspraak: aantal schades, trillingssterkte.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. r.o. 8.3

    Goedgekeurd

    Bij verkoop vóór de aanvraag mocht het IMG de verkoopprijs als waarde hanteren; internetschattingen zijn te algemeen om een hogere marktwaarde aannemelijk te maken.

    “Deze informatie is daarom te algemeen en biedt onvoldoende houvast voor het bepalen van de concrete waarde van de woning op de peildatum.”
  2. r.o. 8.4

    Goedgekeurd

    Het IMG houdt rekening met de zakenrechtelijke positie uit het kadaster; bij 50 procent juridische eigendom tot de verdeling wordt de helft van de waardedaling vergoed.

    “Dat betekent dat het Instituut terecht aan [appellant] een vergoeding voor de helft van de waardedaling heeft toegekend.”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

Bij besluit van 14 januari 2021 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen een aanvraag van [appellant] om vergoeding van waardedaling van een woning afgewezen. Bij besluit van 21 mei 2021 heeft het Instituut het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 14 januari 2021 herroepen en [appellant] een schadevergoeding toegekend van € 6.102,22, te v…

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1202203056/1/A2.
2Datum uitspraak: 22 maart 2023
3AFDELING
4BESTUURSRECHTSPRAAK
5Uitspraak op het hoger beroep van:
6[appellant], wonend te Groningen,
7tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 30 maart 2022 in zaak nr. 21/1891 in het geding tussen:
8[appellant]
9en
10het Instituut Mijnbouwschade Groningen.
11Procesverloop
12Bij besluit van 14 januari 2021 heeft het Instituut een aanvraag van [appellant] om vergoeding van waardedaling van een woning afgewezen.
13Bij besluit van 21 mei 2021 heeft het Instituut het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 14 januari 2021 herroepen en [appellant] een schadevergoeding toegekend van € 6.102,22, te vermeerderen met de wettelijke rente van € 312,97, voor waardedaling van een woning.
14Bij uitspraak van 30 maart 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
15Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
16Het Instituut heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
17[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
18De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2023, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Zuidema, en het Instituut, vertegenwoordigd door mr. M.J.W. Timmer, advocaat te Den Haag, vergezeld door dr. J.P. Poort, werkzaam bij Atlas Research, en door mr. F. Sikkema, zijn verschenen.
19Overwegingen
201. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de door het Instituut aan [appellant] toegekende vergoeding.
21Achtergrond
222. Op 4 juli 2002 heeft [appellant] de woning aan de [locatie] te Losdorp (hierna de woning) voor een bedrag van € 105.000 gekocht. De levering van de woning heeft op 2 oktober 2002 plaatsgevonden. Op 6 juni 2006 is [appellant] in gemeenschap van goederen gehuwd. Het huwelijk is bij beschikking van 19 juli 2011 ontbonden. De inschrijving van deze beschikking in het register van de burgerlijke stand heeft op 29 augustus 2011 plaatsgevonden. De inschrijving van de akte van verdeling heeft op 14 november 2018 plaatsgevonden.
233. Op 25 september 2019 heeft [appellant] de woning voor een bedrag van € 178.000,00 verkocht. De levering van de woning heeft op 13 november 2019 plaatsgevonden.
244. Op 22 oktober 2020 heeft [appellant] bij het Instituut een aanvraag om vergoeding van waardedaling van de woning ingediend.
25Besluit van 21 mei 2021
265. Aan het besluit van 21 mei 2021 heeft het Instituut het volgende ten grondslag gelegd.
27De waardedaling wordt vergoed op basis van een vaste periode van 16 augustus 2012 tot 1 januari 2019.
28[appellant] was van 6 juni 2008 tot 19 juli 2011 gehuwd in gemeenschap van goederen. De woning was deel van de gemeenschap. Door de inschrijving van de akte van verdeling op 14 november 2018 is het eigendomsaandeel van zijn ex-echtgenote aan [appellant] overdragen. Sindsdien was hij (opnieuw) voor 100 procent eigenaar van de woning. Voor de periode van 16 augustus 2012 tot 14 november 2018 wordt hij beschouwd als eigenaar van 50 procent van de woning. De waardedaling in die periode is 6,42 procent. Na 14 november 2018 is geen waardedaling meer opgetreden.
29Het waardedalingspercentage wordt afgezet tegen de waarde van de woning. De waarde wordt bij verkoop van de woning vóór de aanvraag bepaald door de verkoopprijs.
30De woning is op 25 september 2019 voor € 178.000,00 verkocht. Op basis van de verkoopprijs is de waardedaling over de periode van 16 augustus 2012 tot 14 november 2018 berekend op € 12.204,45. Op basis van zijn eigendomsaandeel in die periode wordt aan [appellant] een vergoeding toegekend ter hoogte van de helft van dat bedrag.
31Uitspraak van de rechtbank
326. Naar aanleiding van de door [appellant] tegen het besluit van 21 mei 2021 aangevoerde gronden van beroep heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen.
33[appellant] heeft zijn stellingen over de waarde van de woning ten tijde van de verkoop niet onderbouwd met bijvoorbeeld een taxatierapport. Hij wordt niet gevolgd in het betoog dat het Instituut bij de berekening van de vergoeding voor de waardedaling van de woning had moeten uitgaan van een minimale woningwaarde van € 225.000,00.
34Het aandeel van zijn ex-echtgenote in de juridische eigendom van de woning is pas met de inschrijving van de akte van verdeling op 14 november 2018 overgegaan op [appellant]. Dat [appellant] al vóór de datum van de beving in Huizinge was gescheiden, neemt niet weg dat tot 14 november 2018 nog geen verdeling van de gemeenschap had plaatsgevonden, zodat [appellant] en zijn ex-echtgenote tot die datum elk voor 50 procent eigenaar van de woning waren. Het lange tijdsverloop tussen de inschrijving van de echtscheiding en de inschrijving van de akte van verdeling kan op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat het Instituut 100 procent van de waardedalingsvergoeding aan [appellant] had moeten uitkeren. [appellant] heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat uit andere omstandigheden of uit afspraken met zijn ex-echtgenote een andersluidend oordeel moet volgen.
35Hoger beroep
367. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Bij brief van 6 mei 2022, als aangevuld bij brief van 23 juni 2022, heeft hij de gronden van het hoger beroep aangevoerd.
37De Afdeling zal hierna een oordeel geven over deze gronden en zich daarbij beperken tot de gronden die van belang kunnen zijn voor de hoogte van de door het Instituut toegekende vergoeding.
388. [appellant] betoogt dat de woning ten tijde van de verkoop een waarde van € 225.000,00 zou hebben gehad als deze niet in het risicogebied had gelegen. Hij verwijst hiervoor naar informatie op internet. Hij heeft de woning ver onder deze prijs verkocht, omdat hij genoeg had van het aardbevingsgebeuren en van de rompslomp en de zorgen, die hij daardoor had. Hij vindt dat hiermee ten onrechte geen rekening is gehouden.
398.1. De regeling voor de begroting van waardedaling van een woning als gevolg van ligging in het aardbevingsgebied (hierna: de regeling) is neergelegd in de Procedure en werkwijze van het Instituut (artikelen 3.2 tot en met 3.5).
40Volgens de ten tijde van de aanvraag toepasselijke regeling wordt 1 januari 2019 als peildatum voor het bepalen van de waardedaling gehanteerd. Indien de notariële levering van de eigendom van een woning na 16 augustus 2012, maar vóór 1 januari 2019 heeft plaatsgevonden, wordt de datum van de levering gehanteerd als peildatum voor het bepalen van de omvang van de waardedaling. Dit is het moment waarop de schade door waardedaling zich voor de benadeelde effectueert. Verdere waardedaling van de woning na de levering is schade die de nieuwe eigenaar lijdt.
41De waardedaling wordt bepaald aan de hand van een vergelijking van de waarde van de woning op de peildatum met de waarde die de woning zou hebben gehad zonder het effect van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten op de peildatum. Het Instituut gaat voor de waarde van de woning met het effect van bodembeweging uit van de waarde in het kader van de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ-waarde), zoals die is vastgesteld voor de peildatum. Indien de aanvrager de desbetreffende woning voorafgaand aan de aanvraag heeft verkocht en overgedragen, wordt voor de waarde van de desbetreffende woning uitgegaan van de verkoopprijs van de woning.
428.2. De regeling is een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Uit artikel 4:84 van de Awb volgt dat het Instituut overeenkomstig deze beleidsregel handelt, tenzij dat voor [appellant] gevolgen zou hebben die, wegens bijzondere omstandigheden, onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
438.3. Omdat [appellant] de woning op de vrije markt heeft verkocht voor het bedrag van € 178.000,00, mocht het Instituut ervan uitgaan dat deze verkoopprijs de waarde van de woning in het economisch verkeer weergaf, zoals ook uit de regeling volgt. Omdat [appellant] stelt dat dit niet zo is, is het aan hem om dat aannemelijk te maken. [appellant] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de verkoopprijs in dit geval niet reëel is. Hij heeft namelijk geen voldoende overtuigende onderbouwing gegeven voor de stelling dat de woning op 25 september 2019 een marktwaarde van € 225.000,00 had. Aan de door [appellant] bij brief van 23 februari 2023 overgelegde informatie van internet - volgens deze informatie lag de marktwaarde van de woning in een bandbreedte van € 208.000,00 tot € 234.000,00 - komt niet de betekenis toe die hij daaraan hecht. Uit deze informatie blijkt namelijk niet hoe deze schatting tot stand is gekomen, met welke (woning gebonden) factoren wel of geen rekening is gehouden en hoe. Deze informatie is daarom te algemeen en biedt onvoldoende houvast voor het bepalen van de concrete waarde van de woning op de peildatum. Overigens is de verkoopprijs hoger dan de WOZ-waarde van de woning op de peildatum van 1 januari 2019 van € 166.000,00. Daaruit blijkt dus ook niet dat de woning een (veel) hogere waarde had dan waarvoor [appellant] haar verkocht heeft. Het Instituut heeft er op de zitting verder nog op gewezen dat indien [appellant] de woning niet had verkocht, het Instituut, gelet op de regeling, de WOZ-waarde als uitgangspunt voor het berekenen van de waardedaling zou hebben genomen, waardoor de vergoeding op een lager bedrag zou zijn vastgesteld.
44Uit het betoog van [appellant] blijkt niet van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Het betoog geeft geen grond voor het oordeel dat het Instituut de omvang van de waardedaling van de woning heeft onderschat.
45Het betoog slaagt niet.
46[appellant] betoogt verder dat ten onrechte in zijn privéleven is gekeken om zijn rechtsverhouding tot de woning te bepalen. Hij is na de echtscheiding in de woning blijven wonen en heeft als enige de vaste lasten voldaan. Als gevolg van zijn te lage salaris kon hij de woning niet eerder op zijn naam krijgen. Daarom is zijn ex-echtgenote op de hypotheek blijven staan. Pas in het jaar 2018 is het gelukt in deze situatie verandering te brengen en is de akte van verdeling opgemaakt en ingeschreven.
478.4. Anders dan [appellant] meent, heeft het Instituut voor het vaststellen van zijn rechtsverhouding tot de woning geen niet-publiekelijk beschikbare privégegevens gebruikt, maar openbare gegevens uit de registers van de basisregistratie kadaster. Iedereen kan deze gegevens opvragen en inzien. Het Instituut heeft deze gegevens geraadpleegd om vast te stellen wie de juridisch eigenaar is van de woning en vanaf welk moment en voor welk aandeel. Het Instituut houdt bij het bepalen van de schadevergoeding voor waardedaling in de periode van 16 augustus 2012 tot 1 januari 2019 immers rekening met de zakenrechtelijke positie van de aanvrager ten opzichte van de desbetreffende woning. Indien de aanvrager bijvoorbeeld voor de helft (juridisch) eigenaar was van de desbetreffende woning, wordt aan de aanvrager de helft van de totale waardedaling vergoed. Zo is verzekerd dat de gezamenlijke eigenaren, ieder voor hun eigen eigendomsdeel, aanspraak hebben op in totaal de volledige waardedalingsvergoeding. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:95).
48[appellant] is op 6 juni 2006 in gemeenschap van goederen gehuwd. De woning viel vanaf dat moment in deze gemeenschap. Na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap door indiening van het echtsscheidingsverzoek, bleven - anders dan [appellant] ter zitting heeft aangevoerd - beide echtgenoten in dezelfde verhouding gerechtigd tot de vermogensbestanddelen die tot de gemeenschap behoorden, totdat deze waren verdeeld. Dat is gebeurd met de inschrijving van de akte van verdeling. Op dat moment is het aandeel van zijn ex-echtgenote in de woning aan [appellant] geleverd en was [appellant] weer voor 100 procent eigenaar van de woning. Dat [appellant], naar hij stelt, vanaf de echtscheiding het gebruiksrecht op de woning had en daarvoor ook de vaste lasten voldeed, laat onverlet dat de juridische eigendom van de woning tot en met 14 november 2018 - de dag van de inschrijving van de akte van verdeling - voor 50 procent in handen was van zijn ex-echtgenote en op haar voor dat aandeel het risico van het registergoed (en dus ook op waardedaling daarvan) heeft gerust. [appellant] heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat hij geen afspraken heeft met zijn ex-echtgenote op grond waarvan hij aanspraak heeft op de volledige waardedalingsvergoeding. Dat betekent dat het Instituut terecht aan [appellant] een vergoeding voor de helft van de waardedaling heeft toegekend.
49Het betoog slaagt niet.
50Slotsom
51Het hoger beroep is ongegrond. [appellant] krijgt dus geen gelijk. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dat betekent dat de aan [appellant] toegekende vergoeding niet wordt verhoogd.
52Proceskosten
539. Het Instituut hoeft geen proceskosten te vergoeden.
54Beslissing
55De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
56bevestigt de aangevallen uitspraak.
57Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
58w.g. Van Altena
59voorzitter
60w.g. Hazen
61griffier
62Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2023
63452