Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdRechtbank Noord-Nederlandenkelvoudige kamerSchade aan een pandGegrond, zelf voorzien

Rb. Noord-Nederland: meerdere samenhangende oorzaken mogen, maar als de beoordelingen van de deskundigen zo verschillen en in opeenvolgende adviezen steeds nieuwe oorzaken worden toegevoegd dat geen duidelijk beeld van de oorzaak overblijft, is het bewijsvermoeden niet weerlegd. Beroep gegrond.

Rechtbank Noord-Nederland · 27 maart 2026 · enkelvoudige kamer · Eerste aanleg - enkelvoudig

Rb. Noord-Nederland 27 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:999

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

Eiser betwistte de afwijzing door het IMG van schades 3, 10 en 11 aan zijn woning. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de onpartijdigheid van deskundige Kiestra. Voor schade 3 is het bewijsvermoeden niet weerlegd door wisselende oorzaken; voor schades 10 en 11 wel. Beroep gegrond; de rechtbank kent zelf € 1.126,56 plus btw en rente toe voor schade 3.

Citaat (regel 76)
“- bepaalt dat de aan eiser toe te kennen schadevergoeding dient te worden aangevuld met een bedrag van € 1.126,56, te vermeerderen met btw en wettelijke rente vanaf 21 november 2022, tot en met de dag van betaling en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

    • Schade aan een pand

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 12)
      “1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van de aanvraag tot vergoeding van schade aan de woning van eiser, veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten.”
  • Kwesties

    • Bewijsvermoeden

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 56)
      “7.3. De rechtbank is van oordeel dat het Instituut er niet in is geslaagd om het bewijsvermoeden te weerleggen ten aanzien van schade 3.”
    • Maatstaf voor weerlegging

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 56, r.o. 7.3)
      “Er kan, gelet op het voorgaande, niet meer worden gesproken van een evidente, andere oorzaak.”
    • Oorzaakwijziging

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 56, r.o. 7.3)
      “Ook het telkens toevoegen van nieuwe elementen in de verschillende adviezen, heeft bijgedragen aan deze onduidelijkheid.”
    • Vergewisplicht

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 31, r.o. 4.1)
      “De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de onpartijdigheid van deskundige Kiestra.”
    • Kosten van een deskundige

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 70, r.o. 10.3)
      “Uit de stukken blijkt dat Vergnes in de bezwaarfase een bedrag van € 363,- in rekening heeft gebracht.”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

  • Uitspraak (dictum)

    • Gegrond, zelf voorzien

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 76)
      “- bepaalt dat de aan eiser toe te kennen schadevergoeding dient te worden aangevuld met een bedrag van € 1.126,56, te vermeerderen met btw en wettelijke rente vanaf 21 november 2022, tot en met de dag van betaling en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;”
  • Gunstig voor

    • Aanvrager

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13, r.o. 1.1)
      “Eiser krijgt dus gedeeltelijk gelijk en het beroep is dus gegrond.”
  • Toewijzing

    • Gedeeltelijk toegewezen

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13, r.o. 1.1)
      “Het bewijsvermoeden met betrekking tot schades 10 en 11 is wel weerlegd.”
  • Gemachtigde

    • mr. J.R. Feitsma · advocaat · namens aanvrager

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 7)
      “(gemachtigde: mr. J.R. Feitsma),”
    • mr. A.H. Beijer · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 10)
      “(gemachtigden: mrs. A.H. Beijer en S.C. Goldbohm).”
    • mr. S.C. Goldbohm · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 10)
      “(gemachtigden: mrs. A.H. Beijer en S.C. Goldbohm).”
  • Deskundige

    • 10BE (D. Kiestra) · IMG-deskundige · rechter volgt het advies deels

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 61, r.o. 8.2)
      “Hetgeen deskundige Vrieling hiertegenover heeft gezet, is door deskundige Kiestra tijdens de zitting voldoende weersproken.”
    • 10BE (D. de Nes) · IMG-deskundige · rechter volgt het advies deels

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 56, r.o. 7.3)
      “De verschillen in beoordeling door de deskundigen zijn echter dusdanig, dat er geen duidelijk beeld meer is van de oorzaak van schade 3.”
    • 10BE (H. Rocks) · nader advies · rechter volgt het advies deels

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 56, r.o. 7.3)
      “De verschillen in beoordeling door de deskundigen zijn echter dusdanig, dat er geen duidelijk beeld meer is van de oorzaak van schade 3.”
    • Vergnes Expertise b.v. (P.J. Vrieling) · contra-expert · rechter volgt het advies deels

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 56, r.o. 7.3)
      “Er is daarmee door eiser voldoende twijfel gezaaid over de oorzaak van schade 3.”
  • Bedrag

    • € 1.073,85 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 24, r.o. 3.2)
      “Wel heeft eiser een schadevergoeding van in totaal € 1.073,85 gekregen, voor een andere schade.”
    • € 1.069,14 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 28, r.o. 3.5)
      “€ 1.069,14 toegekend.”
    • € 1.126,56 · toegewezen door de rechter

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 76)
      “- bepaalt dat de aan eiser toe te kennen schadevergoeding dient te worden aangevuld met een bedrag van € 1.126,56, te vermeerderen met btw en wettelijke rente vanaf 21 november 2022, tot en met de dag van betaling en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;”
    • € 363,00 · deskundigenkosten

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 70, r.o. 10.3)
      “Uit de stukken blijkt dat Vergnes in de bezwaarfase een bedrag van € 363,- in rekening heeft gebracht.”
    • € 1.294,00 · proceskosten

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 70, r.o. 10.3)
      “Met het bestreden besluit is een proceskostenvergoeding van € 1.294,- toegekend aan eiser.”
    • € 194,00 · griffierecht

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 77)
      “- bepaalt dat het Instituut het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;”
    • € 1.868,00 · proceskosten

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 78)
      “- veroordeelt het Instituut tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.”
  • Aantal schades

    • 3 schades · in geschil

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 33)
      “5. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat het beroep ziet op schades 3, 10 en 11.”
    • 1 schade · toegewezen door de rechter

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 66, r.o. 10)
      “De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dit ziet op schade 3.”
  • Datum besluit op bezwaar

    • 23 januari 2025

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 15, r.o. 2)
      “Met het bestreden besluit van 23 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.”
  • Datum primair besluit

    • 20 juni 2024

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 15, r.o. 2)
      “Het Instituut heeft deze aanvraag met het besluit van 20 juni 2024 gedeeltelijk afgewezen.”

Niet genoemd in de uitspraak: trillingssterkte, plaats.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. r.o. 7.3

    Goedgekeurd

    Wisselende en aangevulde oorzaken van verschillende IMG-deskundigen geven geen duidelijk beeld; voor schade 3 is geen evidente andere oorzaak aangewezen.

    “De verschillen in beoordeling door de deskundigen zijn echter dusdanig, dat er geen duidelijk beeld meer is van de oorzaak van schade 3.”
  2. r.o. 8.2

    Goedgekeurd

    Voor schades 10 en 11 waren de schademechanismen steeds duidelijk en logisch; een berekening is niet vereist.

    “In tegenstelling tot schade 3, is bij deze schades wel steeds duidelijk geweest welke schademechanismen hebben geleid tot de scheuren.”
  3. r.o. 4.1

    Goedgekeurd

    Eerdere advieswerk voor de NAM, langer geleden dan de IMG-termijnen, maakt een deskundige niet partijdig.

    “Het enkele feit dat deskundige Kiestra eerder adviseringswerkzaamheden heeft verricht voor de NAM, is daarvoor niet genoeg.”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

Mijnbouwschade. Fysieke schade. Contra-expertise. Gegrond omdat het Instituut het bewijsvermoeden niet heeft weerlegd ten aanzien van een scheur in tegelwerk van de badkamer. Geen sprake meer van een evidente andere oorzaak, vanwege verschillen in beoordeling door deskundigen en het telkens toevoegen van nieuwe elementen. Geen duidelijk beeld meer van de oorzaak van de schade, voldoende twijfel g…

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
2Zittingsplaats Groningen
3Bestuursrecht
4zaaknummer: LEE 25/1015
5uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen
6[eiser], uit [woonplaats], eiser
7(gemachtigde: mr. J.R. Feitsma),
8en
9Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
10(gemachtigden: mrs. A.H. Beijer en S.C. Goldbohm).
11Samenvatting
121. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van de aanvraag tot vergoeding van schade aan de woning van eiser, veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
131.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bewijsvermoeden ten aanzien van schade 3 niet is weerlegd door het Instituut. Het bewijsvermoeden met betrekking tot schades 10 en 11 is wel weerlegd. Eiser krijgt dus gedeeltelijk gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
14Procesverloop
152. Eiser heeft op 21 november 2022 een aanvraag ingediend voor een vergoeding van schade aan zijn woning. Het Instituut heeft deze aanvraag met het besluit van 20 juni 2024 gedeeltelijk afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
162.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, voorzien van een contra-expertiserapport door deskundige P.J. Vrieling van deskundigenbureau Vergnes Expertise b.v. (Vergnes). Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift, voorzien van een deskundigenbericht van deskundige D. Kiestra van
17deskundigenbureau 10BE.
182.2. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, deskundige Vrieling, de gemachtigden van het Instituut en deskundige Kiestra. Eiser was vanwege ziekte niet aanwezig.
19Beoordeling door de rechtbank
20Totstandkoming van het bestreden besluit
213. Eiser is sinds 2021 eigenaar van de in 1932 gebouwde vrijstaande woning aan [adres], te [woonplaats]. Op 31 december 2021 heeft eiser voor het eerst schade aan zijn woning gemeld bij het Instituut. Naar aanleiding van deze schademelding en het daartoe opgemaakte adviesrapport S-482204, heeft eiser een schadevergoeding ontvangen.
223.1. In 2022 heeft eiser opnieuw schade gemeld bij het Instituut. Op 28 september 2023 is er een schadeopname uitgevoerd, waarna op 9 november 2023 adviesrapport V1 is opgeleverd door deskundige D. de Nes van deskundigenbureau 10BE. Hierin is geadviseerd om eiser geen schadevergoeding toe te kennen.
233.2. Eiser heeft op het adviesrapport gereageerd met een zienswijze in de vorm van een contra-expertiserapport opgesteld door Vergnes, omdat hij het onder andere niet eens was met de beoordeling van schades 3, 4, 10 en 11. Naar aanleiding van de zienswijze heeft het Instituut nader advies gevraagd. Deskundige de Nes heeft hier in adviesrapport V2 van
247 juni 2022 op gereageerd. Ten aanzien van schades 3, 4, 10 en 11, is hij bij zijn conclusies gebleven. Eisers’ aanvraag voor een vergoeding van schades 3, 4, 10 en 11 is daarom met het primaire besluit van 20 juni 2024 afgewezen. Wel heeft eiser een schadevergoeding van in totaal € 1.073,85 gekregen, voor een andere schade.
253.3. Eiser heeft op 6 september 2024 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, opnieuw in de vorm van een door Vergnes opgesteld contra-expertiserapport. Op 9 september 2024 heeft eiser de gronden van bezwaar aangevuld. Het Instituut heeft nader advies gevraagd. Deskundige H. Rocks van deskundigenbureau 10BE heeft hier in het deskundigenbericht met als titel ‘Bevindingen deskundigen voor de hoorzitting’ van 22 oktober 2024 op gereageerd.
263.4. Het Instituut heeft op 5 november 2024 een hoorzitting gehouden. Deskundigen Vrieling en Rocks waren bij de hoorzitting aanwezig om nadere toelichtingen te geven.
273.5. Op 23 januari 2025 heeft het Instituut het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Ten aanzien van schade 12 is een aanvullende schadevergoeding van
28€ 1.069,14 toegekend. Met betrekking tot schades 3, 4, 10 en 11 is beslist dat het bewijsvermoeden van toepassing is, het bezwaar is ten aanzien van deze schades ongegrond verklaard.
29Onpartijdigheid deskundige
304. Bij de aanvang van de zitting heeft eiser aangegeven het opmerkelijk te vinden dat deskundige Kiestra betrokken is als onpartijdige deskundige, omdat hij eerder heeft opgetreden namens de NAM in zaken die bij de Arbiter Bodembeweging zijn behandeld. Hoewel hij voldoet aan de eisen die het Instituut hieromtrent stelt, is eiser van mening dat deskundige Kiestra als partijdig moet worden beschouwd. Volgens eiser is deskundige Kiestra door zijn werkzaamheden voor de NAM in het verleden blijvend partijdig. Deze partijdigheid verdwijnt niet door verloop van tijd. Eiser verzoekt de rechtbank daarom om het door deskundige Kiestra opgestelde deskundigenbericht ter zijde te schuiven.
314.1. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de onpartijdigheid van deskundige Kiestra. De eisen die het Instituut heeft opgesteld om de onpartijdigheid van een geraadpleegde deskundige te waarborgen, zijn eerder aanvaardbaar en adequaat geacht. De adviseringswerkzaamheden die deskundige Kiestra in het verleden heeft verricht voor de NAM, zijn langer geleden dan de termijnen die in de hiervoor genoemde eisen zijn genoemd. Het Instituut heeft zich daar aan de hand van een disclosure statement van vergewist. Daarnaast heeft het Instituut naar voren gebracht dat er sprake is van een vierogenprincipe, deskundige M. Ottevanger van deskundigenbureau 10BE heeft ook meegewerkt aan het deskundigenbericht. Eiser heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld die aanleiding kunnen geven voor het oordeel dat deskundige Kiestra geen onpartijdige deskundige is. Het enkele feit dat deskundige Kiestra eerder adviseringswerkzaamheden heeft verricht voor de NAM, is daarvoor niet genoeg. Eisers’ opmerking waarmee hij het vierogenprincipe in twijfel trekt, is ongefundeerd. De rechtbank wijst het verzoek om het deskundigenbericht van deskundige Kiestra buiten beschouwing te laten, dan ook af.
32Omvang van het geding
335. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat het beroep ziet op schades 3, 10 en 11. De beroepsgrond die zag op schade 4 is door eiser ingetrokken.
34Toetsingskader
35Bewijsvermoeden
366. Niet in geschil is dat het bewijsvermoeden van toepassing is op schade aan de woning van eiser. Op grond van het bewijsvermoeden wordt vermoed, bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg zou kunnen zijn, dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.
376.1. Volgens de vaste werkwijze acht het Instituut het bewijsvermoeden weerlegd als het aan de hand van een adviesrapport aantoont dat de schade is te herleiden tot een evidente en autonome oorzaak, waarvan (met een hoge mate van zekerheid) aannemelijk is dat die bodembeweging als (mede)oorzaak van die schade uitsluit. Deze werkwijze is aanvaardbaar geacht.
386.2. In het kader van de vergewisplicht toetst het Instituut aan de hand van welke feiten de ingeschakelde deskundige tot de conclusie is gekomen dat er met een voldoende hoge mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak voor de schade is aan te wijzen. Het Instituut acht het bewijsvermoeden pas weerlegd als de deskundige een hoge mate van zekerheid heeft over de oorzaak van de door hem aangewezen schade, wat aansluit bij de bedoelingen van het Panel van deskundigen. Van de deskundige wordt niet gevergd dat hij met 100% zekerheid kan uitsluiten dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten.
396.3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), mag een bestuursorgaan, als in een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid naar voren zijn gebracht.
40Schade 3
417. Schade 3 is door verschillende door het Instituut ingeschakelde deskundigen beoordeeld. Hierna volgen enkele passages uit de adviesrapporten die zijn uitgebracht.
42Deskundige de Nes in adviesrapport V1:
43‘De schade is, gelet op zijn uiterlijke kenmerken, veroorzaakt door thermische werking […] van de wand, bestaande uit metselwerk, de hechtlaag en het tegelwerk. […] De rand van de tegelwand is afgewerkt met een harde voegmortel en niet voorzien van een flexibele afdichting. Hierdoor kan de tegelwand niet vrij bewegen. Door lengteverandering ontstaat spanning aan de rand van de wandtegels.’
44Deskundige de Nes in adviesrapport V2:
45‘Door werking van de tegelwand en de verhindering hiervan door de toegepaste harde voegmortel in de aansluitingen is de tegel gescheurd. […] Er is ook zichtbaar dat het kozijn inmiddels is verwijderd en de wandopening is dichtgezet met metselwerk, waardoor er een nieuwe situatie is ontstaan met betrekking op de temperatuur en vochtregulatie.’
46Deskundige Rocks in ‘Bevindingen deskundige voor de hoorzitting’:
47‘[…] de scheurvorming is ontstaan door thermische werking en uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden (sloopwerk kozijn, aanbrengen nieuw metselwerk. […] M.b.t. de bouwkundige constructie merkt de deskundige op dat het plafond van de badkamer is uitgevoerd als een plafond van plaatmateriaal, welke is aangebracht tegen een houden zolderbalklaag. De aansluitingen van de badkamerwanden tegen de bovenliggende zoldervloer zijn star uitgevoerd. Vervormingen als gevolg van belopen en/of belasting geven druk op de aansluitingen plafond/wand. Omdat de aansluitingen star uitgevoerd zijn, ontstaat de aanwezige scheurvorming.’
48Deskundige Kiestra in zijn deskundigenbericht:
49‘De schade is een gevolg van thermische werking in combinatie met uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden (sloopwerk toiletkozijn, aanbrengen nieuw metselwerk) waarbij krachten op het metselwerk worden uitgeoefend. [...] Naast werking van de materialen geven vervormingen als gevolg van wisselende belasting, zoals het belopen van de zolder, druk en/of trillingen op de aansluiting tussen plafond/wand. Omdat de aansluitingen niet flexibel zijn uitgevoerd kan deze niet meebewegen en ontstaat de aanwezige scheurvorming in het materiaal op de wand/plafond aansluiting. Deze druk wordt overgebracht op de wand die al thermische werking ondervindt vanwege de verbouwing met het oude stukje wand en de dichtgezette deuropening. De betreffende tegel in de bovenhoek zit hier volledig ingeklemd en is daardoor gescheurd.’
50Standpunten eiser
517.1. Eiser stelt dat het bewijsvermoeden niet is weerlegd. De door het Instituut ingeschakelde deskundigen hebben telkens andere (mogelijke) oorzaken voor het ontstaan van de schade genoemd. Hieruit blijkt dat de deskundigen zelf ook niet exact weten wat de oorzaak van de schade is. Daarnaast is eiser van mening dat de toelichtingen van de deskundigen niet, of onvoldoende zijn onderbouwd. Het zijn enkel meningen. Daarbij wijst eiser erop dat rechtbank eerder zeer kritisch is geweest op het aanmerken van thermische werking als schadeoorzaak.
527.1.1. Bovendien, zo stelt eiser, zijn de genoemde oorzaken voor deze schades gemotiveerd weerlegd door Vergnes. Zo heeft deskundige Vrieling ten eerste naar voren gebracht dat werking van twee wanden niet mogelijk is, omdat er sprake is van een flexibele kitvoeg. Ten tweede is volgens deskundige Vrieling geen doorbuiging van de zoldervloer zichtbaar of een doorlopende scheur als gevolg daarvan. Dit zou men wel verwachten bij belasting van de zoldervloer, zoals is beschreven door deskundigen Rocks en Kiestra. Ten derde heeft deskundige Vrieling erop gewezen dat eiser met betrekking tot de genoemde verbouwingswerkzaamheden, heeft aangegeven dat het verwijderen van het kozijn pas ná het ontstaan van de schade heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande, mag niet uitgegaan worden van de juistheid van het advies van de door het Instituut ingeschakelde deskundigen.
53Standpunten Instituut
547.2. Het Instituut weerspreekt het telkens noemen van andere oorzaken. Hoewel de toelichtingen in de loop van de procedure zijn aangevuld, zijn de deskundigen consistent geweest in het benoemen van welke schademechanismen de schades hebben veroorzaakt. In de kern is de star uitgevoerde aansluiting de oorzaak voor de schade. Volgens het Instituut is het bewijsvermoeden weerlegd.
55Beoordeling door de rechtbank
567.3. De rechtbank is van oordeel dat het Instituut er niet in is geslaagd om het bewijsvermoeden te weerleggen ten aanzien van schade 3. De ABRvS heeft bepaald dat een deskundige ook meerdere, al dan niet samenhangende en mijnbouwactiviteiten uitsluitende oorzaken voor het ontstaan voor de schade mag aanwijzen. De verschillen in beoordeling door de deskundigen zijn echter dusdanig, dat er geen duidelijk beeld meer is van de oorzaak van schade 3. Ook het telkens toevoegen van nieuwe elementen in de verschillende adviezen, heeft bijgedragen aan deze onduidelijkheid. In eerste instantie werd alleen gesproken van thermische werking van de wand, de hechtlaag en het tegelwerk, in combinatie met een harde voegmortel. Later kwamen daar de invloed van verbouwingswerkzaamheden en de zoldervloer bij. Over de verbouwingswerkzaamheden zijn de deskundigen niet eenduidig in hoe dit heeft bijgedragen aan de schade. Zo werden deze door deskundige de Nes aangehaald in het kader van een nieuwe situatie met betrekking tot de temperatuur en vocht, terwijl deskundigen Rocks en Kiestra de verbouwingswerkzaamheden zélf als oorzaak voor de schade noemen. Daarnaast heeft het Instituut aangegeven dat de star uitgevoerde aansluiting in de kern de oorzaak is van de schade, terwijl deskundige Kiestra tijdens de zitting niet heeft weersproken dat er wel degelijk sprake is van een flexibele kitvoeg. Er is daarmee door eiser voldoende twijfel gezaaid over de oorzaak van schade 3. Er kan, gelet op het voorgaande, niet meer worden gesproken van een evidente, andere oorzaak.
577.4. Deze beroepsgrond slaagt.
58Schades 10 en 11
598. Volgens eiser is het bewijsvermoeden niet weerlegd ten aanzien van schades 10 en 11. Wederom hebben de deskundigen telkens andere oorzaken genoemd en zijn deze niet (voldoende) onderbouwd. Het enkele stellen zonder rekenkundige onderbouwing, is onvoldoende om het bewijsvermoeden te kunnen weerleggen. Bovendien worden er hogere eisen gesteld aan de weerlegging van het bewijsvermoeden, als reeds schadevergoedingen voor schades aan een woning zijn toegekend. Dit is bij eiser het geval. Als laatste merkt eiser op dat de genoemde oorzaken gemotiveerd weerlegd zijn door Vergnes.
608.1. Het Instituut meent dat de deskundigen wel degelijk goed gemotiveerd hebben wat de oorzaken van schades 10 en 11 zijn en is het bewijsvermoeden weerlegd. Zo is schade 10 veroorzaakt door werking van de houten trapbetimmering ten opzichte van de stenen wand, in combinatie met de spanning die de staalconstructie op de wand uitoefent. Dit heeft scheurvorming in het aangebrachte spackwerk als gevolg. Schade 11 is volgens het Instituut veroorzaakt door het onvoldoende voorbehandelen van de wand waarin deze zich bevindt. Hierdoor is het stucwerk plaatselijk gescheurd en onthecht.
618.2. De rechtbank concludeert dat het bewijsvermoeden is weerlegd ten aanzien van schades 10 en 11. In tegenstelling tot schade 3, is bij deze schades wel steeds duidelijk geweest welke schademechanismen hebben geleid tot de scheuren. De rechtbank kan eiser ook niet volgen in zijn standpunt dat de genoemde oorzaken niet (voldoende) zijn onderbouwd. De redenaties van de door het Instituut ingeschakelde deskundigen zijn logisch en goed te volgen. Hetgeen deskundige Vrieling hiertegenover heeft gezet, is door deskundige Kiestra tijdens de zitting voldoende weersproken. Bovendien wordt niet van een deskundige verlangd dat hij met een 100% of natuurwetenschappelijke zekerheid tot zijn conclusie komt. Een berekening, of -in het geval van schade 11- nagaan wat voor primer precies is gebruikt, is daarom niet noodzakelijk. Eiser heeft onvoldoende aanknopingspunten naar voren gebracht op basis waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid of volledigheid van de genoemde oorzaken.
628.3. Deze beroepsgrond slaagt niet.
63Opgetreden trillingssnelheden
649. Gelet op het voorgaande, behoeft hetgeen eiser naar voren heeft gebracht over de opgetreden trillingssnelheden geen bespreking meer.
65Conclusie en gevolgen
6610. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, omdat het Instituut het bewijsvermoeden niet heeft weerlegd ten aanzien van schade 3. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dit ziet op schade 3.
6710.1. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf voorzien op dit onderdeel door voor schade 3 een vergoeding toe te kennen conform het voorstel van Vergnes van € 1.126,56 (kostprijs + 12% onvoorzien) aan eiser, te vermeerderen met btw. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
6810.2. Omdat het beroep gegrond is moet het Instituut het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
69Het Instituut moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
7010.3. Verder heeft eiser gevraagd om een vergoeding van de kosten in de bezwaarfase als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb, waaronder begrepen de kosten van Vergnes. Uit de stukken blijkt dat Vergnes in de bezwaarfase een bedrag van € 363,- in rekening heeft gebracht. Van overige kosten is niet gebleken. Met het bestreden besluit is een proceskostenvergoeding van € 1.294,- toegekend aan eiser. Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank geen reden voor een aanvullende vergoeding.
71Beslissing
72De rechtbank:
73- verklaart het beroep gegrond;
74- vernietigt het besluit van 23 januari 2025 voor zover daarin is beslist over schade 3;
75- herroept het besluit van 20 juni 2024 voor zover daarin is beslist over schade 3;
76- bepaalt dat de aan eiser toe te kennen schadevergoeding dient te worden aangevuld met een bedrag van € 1.126,56, te vermeerderen met btw en wettelijke rente vanaf 21 november 2022, tot en met de dag van betaling en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
77- bepaalt dat het Instituut het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
78- veroordeelt het Instituut tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
79Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Huizenga-Bergsma, griffier.
80Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
81griffier
82rechter
83Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
84Informatie over hoger beroep
85Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
86 
87[1] Te raadplegen via https://www.schadedoormijnbouw.nl/regelingen/schade-aan-gebouwen-en-objecten/extra-informatie/extra-informatie/vereisten-deskundigen.
88[2] AbRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, r.o. 51-55.
89[3] Artikel 6:177a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW).
90[4] ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, r.o. 69-70; ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, r.o. 88 en 92.
91[5] ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631.
92[6] Eiser verwijst o.a. naar Rb. Noord-Nederland 19 januari 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:117, r.o. 1.3.2.
93[7] ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374.
94[8] Eiser verwijst o.a. naar Rb. Noord-Nederland 15 juni 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:2094, r.o. 4.6.
95[9] ABRvS 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4320, r.o. 76.