Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdRechtbank Noord-Nederlandmeervoudige kamerImmateriële schadeOngegrond

ECLI:NL:RBNNE:2026:406

Rechtbank Noord-Nederland · 10 februari 2026 · meervoudige kamer · Eerste aanleg - meervoudig, Schadevergoedingsuitspraak

Rb. Noord-Nederland 10 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:406

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

Twee eisers vroegen het IMG om immateriële schadevergoeding en wilden dat hun (niet-bewoonde) woning in de versterkingsoperatie werd meegewogen. Het IMG betrok alleen het woonadres; dat leverde twee punten en geen vergoeding op. De rechtbank acht de koppeling aan het hoofdverblijf deugdelijk gemotiveerd en ziet geen grond om van de methode af te wijken. Beroepen ongegrond.

Citaat (regel 58)
“De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

    • Immateriële schade

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 13)
      “1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers voor vergoeding van immateriële schade.”
  • Kwesties

    • Overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 52, r.o. 14.1)
      “De keuze om een koppeling te maken tussen onveiligheidsgevoelens van de aanvrager en de (dagelijkse) aanwezigheid van de aanvrager in een pand dat onderdeel uitmaakt van de versterkingsoperatie is deugdelijk gemotiveerd.”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

  • Uitspraak (dictum)

  • Gunstig voor

  • Toewijzing

    • Afgewezen

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 56, r.o. 15)
      “Dat betekent dat de afwijzing van de aanvragen van eisers in stand blijven.”
  • Gemachtigde

    • mr. L. Sijbrandij-Leyten · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 11)
      “(gemachtigden: mr. L. Sijbrandij-Leyten en mr. R.L. Gritter).”
    • mr. R.L. Gritter · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 11)
      “(gemachtigden: mr. L. Sijbrandij-Leyten en mr. R.L. Gritter).”
  • Bedrag

    • € 17.324,63 · overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 36, r.o. 12)
      “Ook de door het Instituut op 26 april 2021 uitgekeerde vergoeding van € 17.324,63 aan fysieke schade voor de woning in [plaats 2] is niet bij de beoordeling betrokken”
    • € 2.500,00 · overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 53, r.o. 14.2)
      “In het verweerschrift is (op blz. 11) gewezen op de eenmalige vergoeding van de NCG (per adres) van € 2.500,-”
  • Datum besluit op bezwaar

    • 28 april 2025

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 17, r.o. 2)
      “Met de twee bestreden besluiten van 28 april 2025 op de bezwaren van eisers is het Instituut bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.”
  • Datum primair besluit

    • 17 februari 2025

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 29)
      “8. Op 17 februari 2025 heeft het Instituut de aanvragen van eisers om vergoeding van immateriële schade (IMS) afgewezen.”

Niet genoemd in de uitspraak: deskundigen, aantal schades, trillingssterkte, plaats.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. r.o. 13

    Goedgekeurd

    Alleen adressen waar de aanvrager volgens de BRP woonde tellen mee in de gestandaardiseerde methode, ook voor bouwsteen 2 (veiligheid).

    “Dit brengt mee dat alleen de adressen waarop de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft (gehad) input kunnen vormen voor de gestandaardiseerde methode.”
  2. r.o. 14.1

    Goedgekeurd

    De koppeling van onveiligheidsgevoelens aan dagelijkse aanwezigheid in een versterkingspand is deugdelijk gemotiveerd.

    “De keuze om een koppeling te maken tussen onveiligheidsgevoelens van de aanvrager en de (dagelijkse) aanwezigheid van de aanvrager in een pand dat onderdeel uitmaakt van de versterkingsoperatie is deugdelijk gemotiveerd.”
  3. r.o. 14.3

    Goedgekeurd

    De ondergrens boven twee punten is terecht; geen aanleiding om in weerwil van de regeling vergoeding toe te kennen.

    “De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat het IMG in de -in de Procedure en werkwijze neergelegde- regeling de ondergrens voor toekenning van immateriële schadevergoeding terecht hoger heeft gelegd dan bij twee punten.”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

Afwijzing van aanvragen voor vergoeding immateriële schade Eisers zijn woonachtig in [plaats 1] wanneer zij eind 2020 eigenaar worden van een woning in [plaats 2]. De woning in [plaats 2] maakt onderdeel uit van de versterkingsoperatie. In een afzonderlijk besluit heeft de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) aan eisers meegedeeld dat de woning in [plaats 2] voldoet aan de veiligheidsnorm en dat…

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
2Zittingsplaats Groningen
3Bestuursrecht
4zaaknummers: LEE 25/2130 en LEE 25/2131
5uitspraak van de meervoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaken tussen
6[eiser], uit [plaats 2], eiser in LEE 25/2130
7en
8[eiseres] , uit [plaats 2], eiseres in LEE 25/2131
9en
10Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
11(gemachtigden: mr. L. Sijbrandij-Leyten en mr. R.L. Gritter).
12Samenvatting
131. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers voor vergoeding van immateriële schade. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
141.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eisers krijgen geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
15Procesverloop
162. Eisers hebben ieder afzonderlijk een aanvraag ingediend voor vergoeding van immateriële schade. Het Instituut heeft deze aanvragen met afzonderlijke besluiten van
1717 februari 2025 afgewezen. Daarbij heeft het Instituut – op basis van het juridisch kader voor het vergoeden van immateriële schade en de methodiek die het Instituut gebruikt en de afwegingen die zijn gemaakt bij de totstandkoming hiervan – overwogen dat er in de situatie van eisers onvoldoende concrete aanwijzingen zijn om een persoonsaantasting aan te nemen. Met de twee bestreden besluiten van 28 april 2025 op de bezwaren van eisers is het Instituut bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
182.1. Eisers hebben ieder afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
19Het Instituut heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
202.2. De rechtbank heeft de beroepen op 14 januari 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigden van het Instituut.
21Beoordeling door de rechtbank
22Feiten en omstandigheden van dit geval
233. Eisers zijn woonachtig in [plaats 1] wanneer zij eind 2020 eigenaar worden van een woning in [plaats 2]. Het betreft de voormalige woning van de oma van eiser. Volgens eisers kwam hiermee de vervulling van een lang gekoesterde wens in beeld, om echt buiten te gaan wonen.
244. De woning in [plaats 2] maakt onderdeel uit van de versterkingsoperatie. Op
253 oktober 2021 heeft vanuit de NCG een opname plaatsgevonden om te beoordelen of het gebouw veilig was. Bij besluit van 2 oktober 2023 heeft de NCG aan eisers meegedeeld dat de woning voldoet aan de veiligheidsnorm en dat de woning niet hoeft te worden versterkt. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 3 oktober 2024 heeft de NCG het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
265. Eisers hebben naar voren gebracht dat hun planning was om hun woning in [plaats 2] in 2022 te (ver)bouwen en in de loop van dat jaar daarnaartoe te verhuizen, maar dat de plannen moesten wachten op uitsluitsel van de versterkingsopgave. De frustratie hierover heeft zich volgens eisers geuit in afvlakken en minder geïnteresseerd zijn, een toename van het gevoel van werkdruk en geen zin meer hebben in het uitoefenen van hobby’s.
276. Eisers hebben inmiddels een nieuwe woning gerealiseerd op het perceel in [plaats 2]. Uit de Basisregistratie Personen (BRP) volgt dat eisers sinds 1 november 2025 in [plaats 2] wonen.
287. Op 10 januari 2025 hebben eisers ieder afzonderlijk een aanvraag ingediend voor vergoeding van immateriële schade. Hoewel op de aanvragen het adres in [plaats 1] is vermeld, hebben eisers aangegeven dat het de bedoeling is om een aanvraag in te dienen voor het adres in [plaats 2].
298. Op 17 februari 2025 heeft het Instituut de aanvragen van eisers om vergoeding van immateriële schade (IMS) afgewezen. Het Instituut heeft daarbij getoetst of verblijf in de woning in [plaats 1] heeft gezorgd voor immateriële schade. Tegen deze besluiten hebben eisers bezwaar gemaakt. In de bestreden besluiten van 28 april 2025 is het Instituut bij de afwijzing gebleven. Daarbij is uitgelegd dat binnen de regeling IMS alleen wordt gekeken naar adressen waar eisers vanaf 16 augustus 2012 tot de indiening van de aanvragen hebben gewoond. Daarom is de woning in [plaats 2] niet meegenomen in de beoordeling.
30Juridisch kader
319. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
3210. Het Instituut heeft, gelet op het grote aantal aanvragen, een methode ontwikkeld waarbij de persoonsaantasting niet door de aanvrager hoeft te worden aangetoond, maar het Instituut dit op basis van objectieve gegevens en een Persoonlijke Impact Analyse (PIA) vaststelt en een forfaitair bedrag toekent als een persoonsaantasting kan worden aangenomen.
33Standpunten van partijen
3411. Eisers betogen dat het Instituut ten onrechte de woning in [plaats 2] niet heeft betrokken bij de besluitvorming. Daartoe voeren zij aan dat zij in [plaats 1] zijn blijven wonen, in afwachting van het versterkingstraject in [plaats 2]. De onzekerheid die eisers hebben ervaren over de afwikkeling van dit traject heeft tot frustratie en stress en daarmee tot een sterke negatieve impact op hun persoonlijke levenssfeer geleid. Eisers stellen dat dit ook tot uiting zou moeten komen in bouwsteen 2 (de veiligheidssituatie) van de methodiek van het Instituut. Volgens eisers houdt het Instituut ten onrechte vast aan het criterium van het woonadres. Eisers verwijten het Instituut systeemdenken.
3512. Het Instituut stelt zich op het standpunt dat tegemoetkomen aan de beroepen van eisers zou leiden tot een wijziging van de regeling die in de visie van het Instituut niet valt te rijmen met de opzet ervan. Bouwsteen 2 van de regeling (over de veiligheidssituatie van de woning) levert geen aanwijzing voor persoonsaantasting op. Volgens het Instituut is de achtergrond van bouwsteen 2 dat objectieve indicatoren voor de onveiligheid van een woning aanleiding kunnen zijn om te veronderstellen dat de bewoners zich onveilig voelen over het verblijf in hun woning. Bij bouwsteen 2 wordt gekeken naar de aanwezigheid van objectieve indicatoren voor onveiligheid in relatie tot de woning, aan de hand waarvan onveiligheidsgevoelens van bewoners in verband met bodembeweging kunnen worden geobjectiveerd. De aanwezigheid van een dergelijke objectieve aanknopingspunt vormt dan een aanwijzing voor het bestaan van een aantasting van de persoonlijke levenssfeer en woonsituatie van de bewoner. Met deze bouwsteen wordt verondersteld dat een aanvrager zich in enige mate tot in zeer ernstige mate onveilig voelt over het verblijf in zijn woning.
36Het Instituut wijst erop dat eisers voor en tijdens de aanvraag in een woning (in [plaats 1]) woonden die geen onderdeel uitmaakte van de versterkingsoperatie. Ook de door het Instituut op 26 april 2021 uitgekeerde vergoeding van € 17.324,63 aan fysieke schade voor de woning in [plaats 2] is niet bij de beoordeling betrokken, omdat eisers destijds daar niet woonden. Alleen de gebouwen die gelden (of golden) als het hoofdverblijf van de aanvrager kunnen input vormen voor de gestandaardiseerde methode. Met de gestandaardiseerde methode heeft het Instituut invulling gegeven aan de vraag welke (combinatie van) (concrete) omstandigheden ertoe kunnen leiden dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zó voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Met betrekking tot het standpunt over het hoofdverblijf wijst het Instituut op rechtspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Wat de hinder door het wachten op uitsluitsel over de eventuele versterking betreft, voert het Instituut aan dat navraag bij de NCG leert dat eisers vanuit de NCG recht hebben op een eenmalige vergoeding van
37€ 2.500,-.
38Oordeel van de rechtbank
3913. Op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de Procedure en werkwijze, worden alleen adressen betrokken waarop de aanvrager blijkens de BRP woonachtig is geweest in de periode vanaf 16 augustus 2012 tot de dag van ontvangst van de aanvraag. Dit brengt mee dat alleen de adressen waarop de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft (gehad) input kunnen vormen voor de gestandaardiseerde methode. Dit geldt ook voor bouwsteen 2. In artikel 4.4, eerste lid, van de Procedure en werkwijze is vermeld dat er een lichte aanwijzing (1) geldt als de woning van de aanvrager onderdeel uitmaakt of onderdeel heeft uitgemaakt van de versterkingsoperatie van de NCG in de periode dat de aanvrager op dit adres woonachtig was. Een en ander heeft zich in het geval van eisers vertaald in de volgende beoordeling van de immateriële schade.
40Bouwsteen
41Aanwijzing
421) Locatie
431 (voor woning in [plaats 1])
442) Veiligheid
463) Omvang schade
471 (voor woning in [plaats 1])
484) Doorlooptijd
5014.
51Het geschil spitst zich toe op de vraag of bij de beoordeling van de verzoeken van eisers om immateriële schadevergoeding toe te kennen, anders dan de gestandaardiseerde methode voorschrijft, rekening moet worden gehouden met (de omstandigheden betreffende) de woning in [plaats 2] die deel uitmaakt van de versterkingsoperatie en waarvan de afwikkeling door het beroep van eiser tegen het NCG-besluit nog steeds niet definitief is afgerond.
5214.1. Als het gaat om bouwsteen 2 heeft het Instituut in het onder 12. aangehaalde verweerschrift uiteengezet welke keuzes zijn gemaakt en waarom de feitelijke woonsituatie van belang is als het om het gevoel van onveiligheid gaat. De keuze om een koppeling te maken tussen onveiligheidsgevoelens van de aanvrager en de (dagelijkse) aanwezigheid van de aanvrager in een pand dat onderdeel uitmaakt van de versterkingsoperatie is deugdelijk gemotiveerd. Eisers hebben geen argumenten ingebracht die kunnen afdoen aan deze keuze of anderszins moeten leiden tot het oordeel dat het Instituut de woning in [plaats 2] ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken. Eisers hebben de beoordeling van de overige bouwstenen door het Instituut niet bestreden.
5314.2. Uit de door eiser geschreven stukken, alsook de toelichting ter zitting, blijkt duidelijk de frustratie over (de doorlooptijden van) het versterkingstraject. Eisers hebben geschreven hun lang gekoesterde wens om echt buiten te gaan wonen te hebben uitgesteld vanwege dat traject en hebben ter zitting naar voren gebracht erg gefrustreerd te zijn over de gang van zaken. In het verweerschrift is (op blz. 11) gewezen op de eenmalige vergoeding van de NCG (per adres) van € 2.500,- voor “de overlast van het lange wachten en de onzekerheid over de versterking.” Het Instituut ziet in dat wat eisers schrijven geen grondslag om zelf een vergoeding toe te kennen. In de bestreden besluiten is hierover (op blz. 3) opgemerkt dat de door eisers genoemde omstandigheden als onzekerheid en onduidelijkheid zijn meegewogen in de PIA, die in de situatie van eisers heeft geleid tot profiel 3 (ernstig ervaren leed). Bij twee punten (zoals hier het geval is) en een PIA met profiel 3 levert dit voor de toegepaste Procedure en Werkwijze evenwel geen vergoeding op. Pas bij drie punten en een PIA met profiel 2, 3 of 4 wordt een vergoeding van € 1.500,- toegekend.
5414.3. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat het IMG in de -in de Procedure en werkwijze neergelegde- regeling de ondergrens voor toekenning van immateriële schadevergoeding terecht hoger heeft gelegd dan bij twee punten. De rechtbank ziet in de door eisers gegeven onderbouwing geen aanleiding om, in weerwil van de regeling, te bepalen dat het Instituut wel dient over te gaan tot toekenning van immateriële schade aan eisers wegens de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.
55Conclusie en gevolgen
5615. De rechtbank ziet in hetgeen eisers naar voren hebben gebracht geen juridische basis om te bepalen dat het Instituut aan eisers in de bestreden besluiten immateriële schadevergoeding had dienen toe te kennen. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvragen van eisers in stand blijven. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
57Beslissing
58De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
59Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. M.R. Gans en
60mr. P. van der Stroom, leden, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier.
61Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
62griffier
63voorzitter
64Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
65Informatie over hoger beroep
66Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
67 
68[1] Zie bijlagen A en B bij het verweerschrift.
69[2] Eisers scoren een lichte aanwijzing voor bouwsteen 1 (locatie) en een lichte aanwijzing voor bouwsteen 3 (omvang fysieke schade) in combinatie met een Persoonlijke Impact Analyse/profiel 3. Eisers vallen door deze score in categorie A (geen persoonsaantasting).
70[3] In het verweerschrift is vermeld dat uit informatie van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) blijkt dat het pand op 31 december 2019 onderdeel is geworden van de versterkingsoperatie.
71[4] Zo is vermeld in het verweerschrift, onder 2.1.3.
72[5] Zie voor de achtergrond van smartengeld ten gevolge van gaswinning en de beoordeling van de regeling IMS de uitspraak van deze rechtbank van 20 april 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1585.
73[6] Verweerschrift, paragraaf 2.3.1, blz. 5 (met verwijzing naar bijlage B).
74[7] Zie (de toelichting op) artikel 4.4 van de Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen 2022, laatstelijk gewijzigd in december 2025 (Procedure en werkwijze) en § 6 van bijlage B van het verweerschrift.
75[8] Verweerschrift, paragraaf 4.1.14, blz. 14.
76[9] Het Instituut verwijst in dit kader naar arresten van de Hoge Raad (28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 en 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2012).
77[10] Zie de arresten van 17 december 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:10717) en van 27 september 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:8341).
78[11] Het Instituut heeft hiertoe bijlage E (een e-mail over een maatregel 16 vergoeding) overgelegd.
79[12] Vgl. toelichting bij artikel 4.2 in Stcrt. 2022, 18235.
80[13] Zie de uitspraak van de rechtbank van 3 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3822, r.o. 7.4.3.
81[14] In dat kader verwijst de rechtbank ook naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10717, r.o. 8.23-8.24, en naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8341, r.o. 3.14-3.15.