Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdRechtbank Noord-Nederlandenkelvoudige kamerSchade aan een pandGegrond, zelf voorzien

ECLI:NL:RBNNE:2022:62

Rechtbank Noord-Nederland · 12 januari 2022 · enkelvoudige kamer · Eerste aanleg - enkelvoudig

Rb. Noord-Nederland 12 januari 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:62

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

Eiser, verhuurder van een woning met mijnbouwschade, vorderde huurderving ook na 1 december 2020. De rechtbank oordeelt dat hij redelijkerwijs de uitkomst van het in bezwaar gelaste funderingsonderzoek (6 april 2021) mocht afwachten, vernietigt het besluit gedeeltelijk en kent zelf een aanvullende vergoeding voor inkomstenderving van € 6.648,18 plus wettelijke rente toe.

Citaat (regel 42)
“- draagt verweerder op om aan eiser een aanvullende vergoeding van”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

    • Schade aan een pand

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 23, r.o. 1.2)
      “In geschil is of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen aanspraak maakt op vergoeding wegens inkomstenderving vanaf 2 december 2020.”
  • Kwesties

    • Bijkomende kosten

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 29)
      “1.3.3. De rechtbank is van oordeel dat eiser aanspraak maakt op vergoeding wegens inkomstenderving vanaf 2 december 2020.”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

  • Uitspraak (dictum)

    • Gegrond, zelf voorzien

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 44)
      “- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;”
  • Gunstig voor

  • Toewijzing

    • Gedeeltelijk toegewezen

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 31, r.o. 1.3.4)
      “Dit betekent dat eiser een aanvullende vergoeding voor inkomstenderving toekomt over de periode van”
  • Gemachtigde

    • L.M. Wieringa · onbekend · namens aanvrager

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 7)
      “(gemachtigde: L.M. Wieringa)”
    • mr. T.W. Franssen · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 10)
      “(gemachtigden: mr. T.W. Franssen en mr. S.O. Visch).”
    • mr. S.O. Visch · jurist · namens IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 10)
      “(gemachtigden: mr. T.W. Franssen en mr. S.O. Visch).”
  • Deskundige

    • 10BE (G. Haanstra) · deskundige bezwaarcommissie · geen oordeel van de rechter

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 20, r.o. 1.1)
      “G. Haanstra, deskundige van 10BE (Haanstra), nader onderzoek laten doen naar de fundering van de woning.”
  • Bedrag

    • € 150,00 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 12)
      “een vergoeding voor bijkomende kosten van in totaal € 150,- toegekend”
    • € 19.573,28 · toegekend door het IMG

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 14)
      “beslist dat eiser een vergoeding voor bijkomende kosten van in totaal € 19.573,28 inclusief rente krijgt.”
    • € 34.417,67 · overig

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 20, r.o. 1.1)
      “een schadevergoeding van € 34.417,67 inclusief rente toegekend wegens fysieke schade aan de woning door mijnbouwactiviteiten.”
    • € 6.648,18 · toegewezen door de rechter

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 43)
      “€ 6.648,18 uit te keren, te vermeerderen met de wettelijke rente;”
    • € 181,00 · griffierecht

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 45)
      “- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te”
  • Datum besluit op bezwaar

    • 11 mei 2021

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 14)
      “In het besluit van 11 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard”
  • Datum primair besluit

    • 9 oktober 2020

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 12)
      “In het besluit van 9 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser op grond van de Tijdelijke wet Groningen (de TwG) een vergoeding voor bijkomende kosten”

Niet genoemd in de uitspraak: aantal schades, trillingssterkte, plaats.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. r.o. 1.3.3

    Goedgekeurd

    Het in bezwaar door de commissie gelaste funderingsonderzoek valt in de risicosfeer van het IMG; eiser mocht de uitkomst afwachten voor hij herstelde.

    “Dit valt binnen de risicosfeer van verweerder nu hij die commissie had gevraagd om advies uit te brengen over eisers bezwaarschrift.”
  2. r.o. 1.3.4

    Goedgekeurd

    De rechtbank stelt de huurderving zelf vast tot 14 augustus 2021, uitgaande van een redelijke hersteltermijn vanaf 6 april 2021 en een maandhuur van € 789,63.

    “Bij de berekening van die vergoeding gaat de rechtbank uit van een maandhuur van € 789,63.”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

Toekenning vergoeding voor huurderving Eiser is eigenaar en verhuurder van de woning. Bij besluit van 22 juli 2020 heeft verweerder aan eiser op grond van de Tijdelijke wet Groningen een schadevergoeding van € 34.417,67 inclusief rente toegekend wegens fysieke schade aan de woning door mijnbouwactiviteiten. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. In het kader van de behandeling van dat bezwaarschr…

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
2Zittingsplaats Groningen
3Bestuursrecht
4zaaknummer: LEE 21/1760
5uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2022 in de zaak tussen
6[eiser] , uit [plaats] , eiser
7(gemachtigde: L.M. Wieringa)
8en
9Instituut Mijnbouwschade Groningen, verweerder
10(gemachtigden: mr. T.W. Franssen en mr. S.O. Visch).
11Procesverloop
12In het besluit van 9 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser op grond van de Tijdelijke wet Groningen (de TwG) een vergoeding voor bijkomende kosten van in totaal € 150,- toegekend na de behandeling van eisers aanvraag om toekenning van schadevergoeding wegens schade aan het pand op het perceel [adres]
13in [plaats] (de woning).
14In het besluit van 11 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en beslist dat eiser een vergoeding voor bijkomende kosten van in totaal € 19.573,28 inclusief rente krijgt.
15Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
16Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
17De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
18Overwegingen
191. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is, dat het bestreden besluit gedeeltelijk moet worden vernietigd en dat zij zelf in de zaak moet voorzien. Zij overweegt daartoe het volgende.
201.1. Eiser is eigenaar en verhuurder van de woning. Bij besluit van 22 juli 2020 heeft verweerder aan eiser op grond van de TwG een schadevergoeding van € 34.417,67 inclusief rente toegekend wegens fysieke schade aan de woning door mijnbouwactiviteiten. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. In het kader van de behandeling van dat bezwaarschrift heeft de Commissie Advisering Bezwaarschriften Schade door Mijnbouw (de bezwaaradviescommissie) G. Haanstra, deskundige van 10BE (Haanstra), nader onderzoek laten doen naar de fundering van de woning. Op 1 december 2020 heeft een opname van de woning plaatsgevonden. Op 6 april 2021 heeft Haanstra een addendum bezwaar uitgebracht, waarin wordt verwezen naar het deskundigenrapport van 31 maart 2021 met zijn bevindingen. Bij besluit op bezwaar van 1 juni 2021 heeft verweerder het bezwaarschrift tegen het besluit van 22 juli 2020 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.
21Vaststaat dat eiser tegen dat besluit op bezwaar geen beroep heeft ingesteld.
221.2. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser huurinkomsten is misgelopen door aan mijnbouwgerelateerde oorzaken. Evenmin is in geschil dat eiser vanaf 29 januari 2018 geen huurders voor de woning kon vinden, gelet op de aard en de omvang van de schades aan de woning en daarbij behorende overlast. In het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een vergoeding wegens inkomstenderving toegekend voor de periode van 29 januari 2018 tot en met 27 april 2019 en de periode van 1 februari 2020 tot en met 1 december 2020. Die vergoedingen zijn hier niet in geschil.
23In geschil is of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen aanspraak maakt op vergoeding wegens inkomstenderving vanaf 2 december 2020.
241.3. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat nu op
251 december 2020 een onderzoek naar de fundering heeft plaatsgevonden, eiser nadien een aannemer kon inschakelen voor het herstellen van de fundering en het herstellen van de schade. Vervolgens had eiser de woning weer kunnen verhuren, nadat hij een nieuwe huurder had gevonden. Om die reden heeft verweerder eiser een vergoeding tot en met
261 december 2020 toegekend.
271.3.1. Eiser meent dat verweerder de einddatum van de inkomstenderving ten onrechte heeft vastgesteld op 1 december 2020. Hij voert – samengevat – aan dat hij de uitslag van het funderingsonderzoek pas vijf maanden na die datum ontving. In de tussentijd was er niets aan de situatie veranderd; het was nog altijd niet mogelijk om de woning te verhuren. Er was geen aannemer die direct op 2 december 2020 al had kunnen beginnen aan het herstel. Eiser meent dat een vergoeding voor de periode van 2 december 2020 tot en met 30 augustus 2021 aangewezen is.
281.3.2. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser een ruimhartige vergoeding is toegekend en dat voor een aanvullende vergoeding van de gederfde huurinkomsten geen ruimte bestaat. Hij heeft – samengevat – aangevoerd dat eiser direct na het besluit van 22 juli 2020 de fysieke schade kunnen (laten) herstellen. Dat eiser er voor heeft gekozen in plaats daarvan bezwaar te maken en niet tot herstel over te gaan, komt volgens verweerder voor eisers rekening en risico. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het herstel reeds in de periode van 22 juli 2020 tot 1 december 2020 had kunnen plaatsvinden. Dat aannemers volgens eiser niet tot herstel wilden overgaan zonder dat eerder naar de fundering was gekeken, komt volgens verweerder tegen de achtergrond van het voorgaande evengoed voor eisers rekening en risico. Verweerder heeft aangevoerd dat hij immers op basis van deskundigenrapporten reeds had vastgesteld dat dergelijk onderzoek niet nodig was. Dit is ook bevestigd in het besluit op bezwaar van 1 juni 2021. Verweerder heeft opgemerkt dat de werkzaamheden die gepaard gaan met de bij besluit van 22 juli 2020 toegekende schadevergoeding niet dusdanig omvangrijk zijn dat de termijn tot 1 december 2020 onvoldoende zou zijn om die uit te voeren. Bovendien acht verweerder van belang dat eiser vanaf 3 september 2019 bekend was met de aard en de omvang van de schade, alsmede het bedrag dat geadviseerd werd om aan hem toe te kennen. Eiser had dus vanaf dat moment al, vooruitlopend op het daadwerkelijk uitkeren van de schadevergoeding, voorbereidingen kunnen treffen om tot herstel over te gaan en de potentiële huurderving te beperken, aldus verweerder.
291.3.3. De rechtbank is van oordeel dat eiser aanspraak maakt op vergoeding wegens inkomstenderving vanaf 2 december 2020. De bezwaaradviescommissie vond het nodig om tijdens de bezwaarfase funderingsonderzoek te laten doen. Dit valt binnen de risicosfeer van verweerder nu hij die commissie had gevraagd om advies uit te brengen over eisers bezwaarschrift. Het is alleszins redelijk dat eiser vervolgens de bekendmaking van de onderzoeksresultaten heeft afgewacht voordat hij tot (het voorbereiden van) schadeherstel is overgegaan. Het was immers niet uitgesloten dat die resultaten invloed konden hebben op (de omvang en kosten van) de herstelwerkzaamheden. Anders dan verweerder stelt, waren die resultaten niet op 1 december 2020 bij eiser bekend. Die resultaten zijn aan hem bekendgemaakt op 6 april 2021, toen Haanstra het addendum bezwaar uitbracht. Na die datum kon voor eiser voldoende duidelijk zijn dat het schadeherstel beginnen om de woning weer verhuurbaar te maken.
30Het bestreden besluit is op dit punt daarom niet voorzien van een deugdelijke motivering en moet wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) gedeeltelijk worden vernietigd.
311.3.4. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door aan eiser een aanvullende vergoeding voor inkomstenderving toe te kennen. Daarbij zal de rechtbank – aast de hiervoor genoemde latere ingangsdatum – tevens rekening houden met een termijn van herstel. Zoals verweerder in het verweerschrift – ten onrechte over de periode van 22 juli 2020 tot en met 1 december 2020, aldus vier maanden en acht dagen – heeft voorgerekend, acht de rechtbank deze door verweerder gehanteerde termijn voor schadeherstel, te rekenen vanaf 6 april 2021 redelijk. Eiser heeft die hersteltermijn niet onderbouwd bestreden. Dit betekent dat eiser een aanvullende vergoeding voor inkomstenderving toekomt over de periode van
322 december 2020 tot en met 14 augustus 2021. Bij de berekening van die vergoeding gaat de rechtbank uit van een maandhuur van € 789,63. Eiser heeft niet gesteld dat sprake moet zijn van een ander maandbedrag. De rechtbank stelt de aanvullende vergoeding vast op
33€ 6.648,18, te vermeerderen met de wettelijke rente ((€ 789,63 / 31 dagen x 30 dagen) +
34(€ 789,63 x 7 maanden) + (€ 789,63 / 31 dagen x 14 dagen)).
352. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 181,- vergoeden.
363. De rechtbank stelt vast dat eiser geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft opgegeven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.
37Beslissing
38De rechtbank:
39- verklaart het beroep gegrond;
40- vernietigt het bestreden besluit van 11 mei 2021, voorzover aan eiser geen
41vergoeding wegens inkomstenderving vanaf 2 december 2020 is toegekend;
42- draagt verweerder op om aan eiser een aanvullende vergoeding van
43€ 6.648,18 uit te keren, te vermeerderen met de wettelijke rente;
44- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
45- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te
46vergoeden.
47Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Gans, rechter, in aanwezigheid van
48mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier, op 12 januari 2022. De uitspraak is openbaargemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.
49griffier
50rechter
51Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
52typ: SCHA
53Bent u het niet eens met deze uitspraak?
54Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hoger beroepschrift. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.