Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdRechtbank Noord-Nederlandenkelvoudige kamerSchade aan een pandOngegrond

ECLI:NL:RBNNE:2022:4298

Rechtbank Noord-Nederland · 14 november 2022 · enkelvoudige kamer · Eerste aanleg - enkelvoudig

Rb. Noord-Nederland 14 november 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4298

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

Eiser vroeg het IMG om vergoeding van mijnbouwschade aan zijn woning; het IMG wees af omdat het bewijsvermoeden niet van toepassing was (buiten de 6 km-grens, trilling onder 2 mm/s, geen bijzonder kwetsbaar object). De rechtbank oordeelt dat het IMG dit mocht concluderen, dat eiser causaliteit niet aannemelijk maakte en verklaart het beroep ongegrond.

Citaat (regel 53)
“De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

    • Schade aan een pand

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 17, r.o. 2)
      “voor schade aan zijn woning, aan de [adres] te [woonplaats] ([postcode]), ontstaan door bodembeweging vanwege mijnbouwactiviteiten.”
  • Kwesties

    • Bewijsvermoeden

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 42, r.o. 4.9)
      “De rechtbank is van oordeel dat het Instituut heeft mogen concluderen dat het bewijsvermoeden niet van toepassing is.”
    • Trillingstool

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 35, r.o. 4.4)
      “Ter plaatse van eisers woning, had de zwaarste beving een trillingssnelheid van 1,92 mm/s (bij een overschrijdingskans van 1%).”
    • Vergewisplicht

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 47, r.o. 5.3)
      “De rechtbank is van oordeel dat het Instituut het bestreden besluit heeft mogen nemen zonder onderzoek ter plaatse.”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

  • Uitspraak (dictum)

  • Gunstig voor

  • Toewijzing

    • Afgewezen

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 12, r.o. 1.1)
      “Met het bestreden besluit van 23 december 2021 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.”
  • Gemachtigde

  • Deskundige

    • 10BE (T. Aalders) · IMG-deskundige · rechter volgt het advies

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 19, r.o. 2.2)
      “Deskundige T. Aalders van 10BE (Aalders) heeft hierover nader advies uitgebracht op 20 april 2020.”
    • 10BE (G. Haanstra) · nader advies · rechter volgt het advies

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 22, r.o. 2.5)
      “In bezwaar heeft het Instituut nader advies gevraagd aan deskundige G. Haanstra (Haanstra) van 10BE over een eventuele kwalificatie van de woning als bijzonder kwetsbaar object.”
    • 10BE (N. Handgraaf) · IMG-deskundige · geen oordeel van de rechter

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 15, r.o. 1.4)
      “Tevens is N. Handgraaf (Handgraaf) van 10BE aan de zijde van het Instituut verschenen.”
    • Panel van deskundigen · methodedeskundige · rechter volgt het advies

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 49, r.o. 5.4)
      “Eiser heeft niets aangevoerd op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat het advies van het Panel hier niet gevolgd kan worden.”
  • Trillingssterkte

    • 1,92 mm/s · kansniveau 1% · op de locatie

      Goedgekeurd

      zoals genoemd in de uitspraak, met kansniveau en bron

      Citaat (regel 35, r.o. 4.4)
      “Ter plaatse van eisers woning, had de zwaarste beving een trillingssnelheid van 1,92 mm/s (bij een overschrijdingskans van 1%).”
    • 2 mm/s · kansniveau 1% · grenswaarde

      Goedgekeurd

      zoals genoemd in de uitspraak, met kansniveau en bron

      Citaat (regel 32, r.o. 4.2)
      “plaatsen waar een beving ten minste een trilling van 2 mm/s bij een overschrijdingskans van 1% heeft veroorzaakt.”
    • 1,6 mm/s · kansniveau 1% · grenswaarde

      Goedgekeurd

      zoals genoemd in de uitspraak, met kansniveau en bron

      Citaat (regel 37, r.o. 4.5)
      “de trillingssnelheid ter plaatse moet minimaal 1,6 mm/s bij een overschrijdingskans van 1% zijn geweest”
  • Grenswaarde overschreden

    • Nee

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 35, r.o. 4.4)
      “Aan het tweede criterium wordt, volgens het Instituut, dan ook niet voldaan.”
  • Ligging

    • Buiten het effectgebied

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 18, r.o. 2.1)
      “Het gebouw is gelegen op een afstand van meer dan 6 kilometer van het Groningenveld en de gasopslag Norg.”
  • Datum besluit op bezwaar

    • 23 december 2021

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 12, r.o. 1.1)
      “Met het bestreden besluit van 23 december 2021 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.”
  • Datum primair besluit

    • 7 september 2020

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 12, r.o. 1.1)
      “Het Instituut heeft deze aanvraag met het besluit van 7 september 2020 afgewezen.”

Niet genoemd in de uitspraak: bedragen, aantal schades, plaats.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. r.o. 4.9

    Goedgekeurd

    De woning voldoet aan de ingangsvoorwaarden maar aan geen van de vijf bouwwijzecriteria, zodat zij geen bijzonder kwetsbaar object is en het bewijsvermoeden niet geldt.

    “De woning van eiser voldoet aan geen van de vijf criteria.”
  2. r.o. 5.1

    Goedgekeurd

    Zonder bewijsvermoeden rust de bewijslast op eiser, die de causaliteit niet heeft onderbouwd.

    “Eiser heeft niet onderbouwd dat de schade ontstaan is door bodembeweging vanwege mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld of de gasopslag bij Norg.”
  3. r.o. 5.3

    Goedgekeurd

    Gezien het paneladvies over de 2 mm/s-grens mocht het IMG zonder onderzoek ter plaatse beslissen.

    “De rechtbank is van oordeel dat het Instituut het bestreden besluit heeft mogen nemen zonder onderzoek ter plaatse.”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

Mijnbouwschade. De vraag die voorligt is of het bewijsvermoeden van toepassing is.

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
2Zittingsplaats Groningen
3Bestuursrecht
4zaaknummer: LEE 22/608
5uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2022 in de zaak tussen
6[eiser], uit [woonplaats], eiser
7en
8Instituut Mijnbouwschade Groningen (het Instituut)
9(gemachtigde: mr. P. Zoeten).
10Inleiding
111. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser tot toekenning van schadevergoeding wegens schade ontstaan door mijnbouwactiviteiten.
121.1 Het Instituut heeft deze aanvraag met het besluit van 7 september 2020 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 december 2021 op het bezwaar van eiser is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
131.2 Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 31 januari 2022 beroep ingesteld.
141.3 Het Instituut heeft op 28 september 2022 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
151.4 De rechtbank heeft het beroep op 12 oktober 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Instituut. Tevens is N. Handgraaf (Handgraaf) van 10BE aan de zijde van het Instituut verschenen.
16Totstandkoming van het besluit
172. Eiser heeft op 29 september 2018 een ‘Aanvraag vergoeding schade door mijnbouw’ gedaan bij de toenmalige Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG) voor schade aan zijn woning, aan de [adres] te [woonplaats] ([postcode]), ontstaan door bodembeweging vanwege mijnbouwactiviteiten.
182.1 Op 7 september 2020 heeft het Instituut, opvolger van de TCMG, de aanvraag van eiser afgewezen. Het Instituut heeft, onder verwijzing naar het advies van het Panel van deskundigen (het Panel) van 22 januari 2019, het bewijsvermoeden niet van toepassing geacht. Het gebouw is gelegen op een afstand van meer dan 6 kilometer van het Groningenveld en de gasopslag Norg. Ook is gebleken dat de trillingssterkte van 2 millimeter per seconde niet is gehaald.
192.2 Het Instituut heeft daarnaast laten onderzoeken of de woning een bijzonder kwetsbaar object betrof. Deskundige T. Aalders van 10BE (Aalders) heeft hierover nader advies uitgebracht op 20 april 2020. Aalders concludeert dat er geen sprake is van een bijzonder kwetsbaar object. Er zou daarom geen reden zijn om nader (ter plaatse) te onderzoeken of de woning bijzonder gevoelig is voor bodembeweging. Het Instituut heeft daarom besloten dat, ook op deze uitzonderingsgrond, het bewijsvermoeden niet van toepassing is.
202.3 Het Instituut heeft gekozen geen deskundige in te schakelen, omdat het bewijsvermoeden niet van toepassing zou zijn, en komt tot de conclusie dat er geen causaal verband kan bestaan tussen de gemelde schade en de mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld of de gasopslag Norg.
212.4 Op 16 oktober 2022 heeft eiser bezwaar gemaakt bij het Instituut.
222.5 In bezwaar heeft het Instituut nader advies gevraagd aan deskundige G. Haanstra (Haanstra) van 10BE over een eventuele kwalificatie van de woning als bijzonder kwetsbaar object. In het rapport van 7 mei 2021 is de woning niet aangemerkt als bijzonder kwetsbaar object.
232.6 Op 2 juni 2021 heeft N. de Boer van Univé, namens eiser, gereageerd op het rapport van Haanstra.
242.7 Op 23 december 2021 heeft het Instituut met de beslissing op bezwaar het primaire besluit in stand gelaten.
25Beoordeling door de rechtbank
263. De rechtbank beoordeelt of het Instituut terecht tot de conclusie komt dat het bewijsvermoeden niet van toepassing is en derhalve van oordeel is dat de causaliteit tussen de gemelde schade en de mijnbouwactiviteiten ontbreekt. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
273.1 De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het Instituut heeft voldoende onderbouwd waarom het bewijsvermoeden niet van toepassing is. Eiser heeft dir niet betwist en heeft ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat de schade ontstaan is door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
28Is het bewijsvermoeden van toepassing?
294. Het bewijsvermoeden van artikel 6:177a van het Burgerlijk Wetboek (BW) houdt in dat als binnen het effectgebied van het Groningenveld fysieke schade aan gebouwen en werken ontstaat die naar haar aard schade als gevolg van bodembeweging door de gaswinning zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade door gaswinning veroorzaakt is.
304.1 De wetgever heeft over het bewijsvermoeden overwogen:
31“Het wettelijk bewijsvermoeden wordt beperkt tot schade binnen het effectgebied van het Groningenveld. Zoals hiervoor uiteengezet wordt de introductie van het wettelijk bewijsvermoeden gerechtvaardigd doordat sprake is van een situatie waarin het grootste deel van een groot aantal soortgelijke schadegevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning. In situaties en gebieden waar dat niet het geval is, is een zodanige ingreep in de procespositie van partijen niet aangewezen. In andere delen van Nederland blijft daarom de bestaande risicoaansprakelijkheid gelden.”
324.2 Het Instituut heeft ter afbakening van dit effectgebied advies gevraagd aan een Panel van Deskundigen (het Panel). Op 22 januari 2019 heeft het Panel zijn advies over het bewijsvermoeden uitgebracht (het paneladvies). In het paneladvies zijn twee criteria voor de afbakening opgenomen: (i) een grens van zes kilometer buiten de begrenzing van het Groningenveld en (ii) plaatsen waar een beving ten minste een trilling van 2 mm/s bij een overschrijdingskans van 1% heeft veroorzaakt.
33Naar aanleiding van nader onderzoek door TNO en TU Delft naar de directe effecten van diepe bodemdaling en van Deltares naar de indirecte effecten van diepe bodemdaling is het eerste criterium komen te vervallen.
344.3 Het Instituut heeft geconstateerd dat de woning van eiser niet binnen de grens van 6 kilometer rondom het Groningenveld ligt en evenmin in een gebied waar, op basis van het door Deltares uitgevoerde onderzoek, een indirect effect van diepe bodemdaling op voorhand niet kan worden uitgesloten.
354.4 Ter plaatse van eisers woning, had de zwaarste beving een trillingssnelheid van 1,92 mm/s (bij een overschrijdingskans van 1%). Aan het tweede criterium wordt, volgens het Instituut, dan ook niet voldaan.
364.5 In uitzonderlijke gevallen kan het bewijsvermoeden toch van toepassing zijn, ook al is de grenswaarde van 2 mm/s niet bereikt. Dit is het geval wanneer de woning een bijzonder kwetsbaar object betreft. Het Instituut beoordeelt of er sprake is van een bijzonder kwetsbaar object aan de hand van het advies van ir. P.C. van Staalduinen ‘Overwegingen bij de uitzonderlijke toepassing van het bewijsvermoeden’ van 27 mei 2020.
37Een object moet aan twee ingangsvoorwaarden voldoen om te kwalificeren als bijzonder kwetsbaar object: (i) de trillingssnelheid ter plaatse moet minimaal 1,6 mm/s bij een overschrijdingskans van 1% zijn geweest en (ii) de woning moet vóór 1970 gebouwd zijn. Voldoet de woning aan deze twee ingangsvoorwaarden, dan beoordeelt het Instituut aan de hand van vijf criteria of er sprake is van specifieke omstandigheden ten aanzien van de bouwwijze van de woning die dit gebouw bijzonder gevoelig maken voor bevingen.
384.6 Ter beoordeling van de gevoeligheid van de woning voor bevingen heeft het Instituut eerst Aalders en vervolgens Haanstra gevraagd om te adviseren over de uitzonderlijke toepassing van het bewijsvermoeden. Aalders en Haanstra komen, ieder afzonderlijk, tot de conclusie dat de woning niet valt te kwalificeren als bijzonder kwetsbaar object.
39Ter plaatse heeft de zwaarste beving een trillingssnelheid van 1,92 mm/s gehad. De woning is gebouwd vóór 1970. Aan de twee ingangsvoorwaarden wordt derhalve voldaan. De deskundigen hebben vervolgens bekeken of er sprake is van een specifieke bouwwijze waardoor de woning bijzonder gevoelig is voor aardbevingen. De woning voldoet aan geen van de vijf genoemde criteria. Er is in dat geval geen aanleiding om nader te onderzoeken of de woning extra gevoelig is voor bevingen, waardoor het bewijsvermoeden toch van toepassing moet worden verklaard.
404.7 Het Instituut heeft op grond van hetgeen onder 4.2 t/m 4.6 wordt omschreven, geoordeeld dat het bewijsvermoeden niet van toepassing is.
414.8 Eiser stelt dat het bewijsvermoeden wel van toepassing is, omdat er sprake zou zijn geweest van een beving die ter plaatse een trillingssnelheid heeft gehad van 2 mm/s. Dit zou blijken uit het advies van Haanstra.
424.9 De rechtbank is van oordeel dat het Instituut heeft mogen concluderen dat het bewijsvermoeden niet van toepassing is. Ter zitting bleek dat de toetsing ‘bijzonder kwetsbaar object’ en het daarover opgemaakte rapport bij eiser tot verwarring heeft geleid. In het rapport wordt eerst een algemene toelichting over het bewijsvermoeden gegeven. Vervolgens wordt, wanneer het bewijsvermoeden niet van toepassing is op grond van de criteria uit het advies van het Panel van 22 januari 2019, bekeken of er sprake is van een uitzonderingssituatie. In het geval van een bijzonder kwetsbaar object kan het zijn dat het bewijsvermoeden toch van toepassing wordt verklaard. Het advies van Haanstra ziet op deze uitzonderingssituatie. Zoals blijkt uit het rapport van Haanstra, wordt voldaan aan de twee ingangsvoorwaarden, waarvan één ziet op de ter plaatse gemeten trillingssnelheid. Het gaat dan om een trillingssnelheid van 1,6 mm/s. Deze trillingssnelheid is wel gehaald. Uit het advies van Van Staalduinen van 27 mei 2020 over dit onderwerp volgt echter dat het bewijsvermoeden dan niet zonder meer van toepassing is. Eerst dient een woning nog aan een van de criteria voor de bouwwijze van de woning te voldoen. Is daar sprake van, dan geeft dat een indicatie dat het een bijzonder gevoelig object zou kunnen zijn. Ter vaststelling van deze gevoeligheid volgt dan nog een onderzoek op locatie. Blijkt uit dit onderzoek dat de woning inderdaad extra gevoelig is voor bodembeweging, dan wordt het bewijsvermoeden van toepassing verklaard. De woning van eiser voldoet aan geen van de vijf criteria. Eiser heeft geen reden aangevoerd waarom in zijn geval het bewijsvermoeden wel van toepassing moet worden verklaard. Deze beroepsgrond slaagt niet.
43Causaliteit
445. In het geval het bewijsvermoeden niet van toepassing is, rust op eiser de stelplicht en bewijslast dat de schade ontstaan is door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld of de gasopslag bij Norg.
455.1 Eiser heeft niet onderbouwd dat de schade ontstaan is door bodembeweging vanwege mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld of de gasopslag bij Norg.
465.2 Het Instituut betwist dat de schade ontstaan is door bodembeweging als gevolg van de mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld of de gasopslag bij Norg. Het Instituut voert ter onderbouwing de ligging van de woning en de ter plaatse opgetreden maximale trillingssnelheid van 1,92 mm/s aan. De kans dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging vanwege mijnbouwactiviteiten zou bij deze trillingssnelheid minder dan 0,01% zijn. Op die grond heeft het Instituut het verzoek om schadevergoeding afgewezen zonder (nader) onderzoek.
475.3 De rechtbank is van oordeel dat het Instituut het bestreden besluit heeft mogen nemen zonder onderzoek ter plaatse. In het advies van het Panel is over de gehanteerde grens van 2 mm/s met een overschrijdingskans van 1% het volgende vermeld:
48“Bij dit criterium is de kans op schade bij een gebouw of werk dat zich bevindt op een ten opzichte van het epicentrum van de beving verder weg gelegen locatie in een individueel geval minder dan circa 1 op 10.000. (…) Op een gegeven moment gaat de trilling op in – zoals het Panel dit gemakshalve aanduidt – de 'achtergrondtrilling', waaraan elk gebouw of werk dagelijks staat blootgesteld.”
495.4 Eiser heeft niets aangevoerd op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat het advies van het Panel hier niet gevolgd kan worden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
50Conclusie en gevolgen
51Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.
52Beslissing
53De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
54Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2022.
55griffier
56rechter
57Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
58Informatie over hoger beroep
59Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
60 
61[1] Kamerstukken II 2015-2016, 34 390, nr. 3, p. 4.