Naar de inhoud
Uitsprakenmonitor mijnbouwschade
GoedgekeurdGerechtshof Arnhem-Leeuwardenmeervoudige kamerCiviel (NAM)Overig

ECLI:NL:GHARL:2022:8333

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 27 september 2022 · meervoudige kamer · Hoger beroep

Hof Arnhem-Leeuwarden 27 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8333

Samenvatting

RedactioneelGoedgekeurd

Afgesplitste procedure van een bewoner tegen NAM over smartengeld door gaswinning. De bewoner zag af van verdere onderbouwing. Het hof wijst de vordering tot immateriële schade af (slechts eenmaal A- of B-schade), verklaart voor recht dat NAM aansprakelijk is voor gemist woongenot (op te maken bij staat) en veroordeelt de bewoner in de kosten na de splitsing.

Citaat (regel 43, r.o. 3.5)
“Het hof zal de vorderingen van [geïntimeerde] betreffende het gederfd woongenot toewijzen en die betreffende het smartengeld afwijzen.”
Samenvatting en labels zijn redactioneel; de uitspraak zelf is leidend.

Feiten uit de uitspraak

  • Onderwerp

    • Civiel (NAM)

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 29, r.o. 2.2)
      “In een arrest van 17 december 2019 heeft het hof bepaald dat onder andere [geïntimeerde] haar vordering tot vergoeding van immateriële schade nog verder dient te onderbouwen.”
  • Kwesties

    • Civiel

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 34, r.o. 3.1)
      “Voor de toewijsbaarheid van de vordering tot vergoeding van immateriële schade is vereist dat tenminste tweemaal A- of B-schade is vastgesteld.”
  • Wie stelde (hoger) beroep in

  • Uitspraak (dictum)

  • Gunstig voor

    • IMG of NAM

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 37, r.o. 3.3)
      “Omdat, volgens het genoemde arrest, bij de woning van [geïntimeerde] eenmaal, en niet tweemaal, A- of B-schade is vastgesteld en door haar geen aanvullende gegevens zijn aangevoerd, zullen haar vorderingen tot vergoeding van immateriële schade worden afgewezen.”
  • Toewijzing

    • Gedeeltelijk toegewezen

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 48, r.o. 4)
      “veroordeelt NAM tot vergoeding van de vermogensschade wegens gemist woongenot, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;”
  • Gemachtigde

    • mr. R. van Tricht · advocaat · namens NAM

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 14)
      “advocaat: mr. R. van Tricht, die kantoor houdt te Amsterdam,”
    • mr. P.W. Huitema · advocaat · namens aanvrager

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 22)
      “advocaat: mr. P.W. Huitema, die kantoor houdt te Groningen.”
  • Bedrag

    • € 716,00 · proceskosten

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 49, r.o. 4)
      “bepaalt deze kosten op € 716,- voor verschotten;”
  • Aantal schades

    • 1 schade · totaal

      Goedgekeurd
      Citaat (regel 37, r.o. 3.3)
      “bij de woning van [geïntimeerde] eenmaal, en niet tweemaal, A- of B-schade is vastgesteld”

Niet genoemd in de uitspraak: deskundigen, trillingssterkte, plaats, datum besluit op bezwaar.

Elk feit staat letterlijk in de uitspraak; klap het citaat open voor de vindplaats.

Kernoverwegingen

  1. r.o. 3.1

    Goedgekeurd

    Smartengeld vereist tenminste tweemaal vastgestelde A- of B-schade; gemist woongenot minimaal eenmaal.

    “Voor de toewijsbaarheid van de vordering tot vergoeding van immateriële schade is vereist dat tenminste tweemaal A- of B-schade is vastgesteld.”
  2. r.o. 2.4

    Goedgekeurd

    Bewoner die afziet van verdere procedure over smartengeld wordt geacht de vordering niet verder te onderbouwen; afwijzing.

    “Het hof leidt daaruit af dat zij deze vordering niet verder wil onderbouwen.”
  3. r.o. 3.5

    Goedgekeurd

    Griffierecht na de splitsing komt voor rekening van de bewoner, die op het smartengeld in het ongelijk is gesteld.

    “Nadien zijn partijen alleen griffierecht verschuldigd geworden.”

Inhoudsindicatie van de Rechtspraak

Immateriële schade na gaswinning. Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2019:10717. In dat tussenarrest is overwogen dat aanspraak op smartengeld vanwege een aantasting in de persoon op andere wijze bestaat indien sprake is geweest van de vaststelling van (minimaal) tweemaal materiële schade door de aardgaswinning (zogenaamde A- of B-schade). In deze zaak verschillen NAM en een bewoner over de vraag of daarva…

Volledige tekst

Tekst van rechtspraak.nl (CC0). Elke regel heeft een eigen adres, bijvoorbeeld #r12.

1GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
2locatie Leeuwarden
3afdeling civiel recht, handel
4zaaknummer gerechtshof 200.281.109/01
5(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/109028)
6arrest van 27 september 2022
7in de zaak van
8Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,
9gevestigd te 's-Gravenhage,
10appellante in het principaal hoger beroep,
11geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
12bij de rechtbank: gedaagde,
13hierna: NAM,
14advocaat: mr. R. van Tricht, die kantoor houdt te Amsterdam,
15tegen
16[geïntimeerde] ,
17wonende te [woonplaats1] ,
18geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
19appellante in het incidenteel hoger beroep,
20bij de rechtbank: eiseres,
21hierna: [geïntimeerde],
22advocaat: mr. P.W. Huitema, die kantoor houdt te Groningen.
231 Het verdere verloop van de procedure bij het hof
241.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 augustus 2020 hier over.
251.2 [geïntimeerde] heeft ervan afgezien een akte te nemen. Zij heeft het hof laten weten niet verder te willen procederen voor de immateriële schade, maar wel de kosten voor gemist onstoffelijk voordeel vergoed te willen krijgen.
26Vervolgens zijn de stukken opnieuw overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof een datum voor arrest bepaald.
272 2. Waar gaat het in deze zaak om?
282.1 [geïntimeerde] heeft samen met een aantal andere eigenaren en/of bewoners van een woning in (de omgeving van) het gebied waar aardgas wordt gewonnen een procedure aanhangig gemaakt tegen NAM. In deze procedure vorderden zij dat wordt vastgesteld dat zij recht hebben op vermogensschade vanwege het gemis aan een ongestoord woongenot en dat zij recht hebben op vergoeding van smartengeld (immateriële schade), onder meer vanwege die inbreuk op hun woongenot.
292.2 In een arrest van 17 december 2019 heeft het hof bepaald dat onder andere [geïntimeerde] haar vordering tot vergoeding van immateriële schade nog verder dient te onderbouwen. De Hoge Raad heeft op 15 oktober 2021 het cassatieberoep tegen dat arrest verworpen.
302.3 Nadat [geïntimeerde] en een aantal andere eisers hadden aangegeven hun vordering verder te willen onderbouwen, heeft het hof in een arrest van 4 augustus 2020 de procedure gesplitst, in die zin dat de vorderingen van ieder van deze eisers (of indien twee eisers een gezamenlijke woning hadden van deze beide eisers tezamen) verder zouden worden behandeld in een afzonderlijke procedure.
312.4 Na deze afsplitsing heeft [geïntimeerde] laten weten dat zij (toch) niet verder wil procederen over de immateriële schade. Het hof leidt daaruit af dat zij deze vordering niet verder wil onderbouwen. Het hof zal haar vordering tot vergoeding van immateriële schade afwijzen. Haar vorderingen betreffende het gemist woongenot zijn wel toewijsbaar.
322.5 Het hof zal deze beslissing hierna toelichten.
333 3. De motivering van de beslissing
343.1 Het hof heeft in het arrest van 17 december 2019 eisen gesteld aan de toewijsbaarheid van de vorderingen van (onder meer) [geïntimeerde] . Die eisen komen erop neer dat een vordering tot vergoeding van vermogensschade vanwege gemist woongenot toewijsbaar is indien aan de woning van eisers minimaal eenmaal fysieke schade veroorzaakt of verergerd door aardbevingen (zogenaamde A-schade of B-schade) is vastgesteld. Voor de toewijsbaarheid van de vordering tot vergoeding van immateriële schade is vereist dat tenminste tweemaal A- of B-schade is vastgesteld.
353.2 In het arrest van 17 december 2019 heeft het hof alle eisers ingedeeld in categorieën.
36[geïntimeerde] is ingedeeld in categorie B1 (eisers van wie de vergoeding tot vermogensschade wegens gemist woongenot toewijsbaar is, maar van wie onduidelijk is of het smartengeld wel toewijsbaar is). Deze indeling was gebaseerd op de aan het hof voorgelegde gegevens over het aantal malen dat A- of B-schade aan de woningen van (onder meer) [geïntimeerde] was vastgesteld. Het hof zal in dit arrest uitgaan van wat het daarover in dat arrest heeft overwogen.
373.3 Omdat, volgens het genoemde arrest, bij de woning van [geïntimeerde] eenmaal, en niet tweemaal, A- of B-schade is vastgesteld en door haar geen aanvullende gegevens zijn aangevoerd, zullen haar vorderingen tot vergoeding van immateriële schade worden afgewezen.
383.4 Voor de vorderingen tot vergoeding van schade vanwege gemist woongenot ligt dat anders. Voor degenen die door het hof zijn ingedeeld in categorie B1, zoals [geïntimeerde] , staat vast dat eenmaal sprake is geweest van A- of B-schade. Hun vordering tot vergoeding van vermogensschade vanwege gemist woongenot en de daarmee samenhangende vordering tot een verklaring voor recht zijn dan ook toewijsbaar.
39In het arrest 19 december 2019 overwoog het hof over de wijze van begroting van deze schade:
40‘De vermogensschade vanwege gemist woongenot moet worden begroot volgens de door de Hoge Raad in de uitspraak van 19 juli 2019 [hof: in rov. 2.12.4] gegeven maatstaf (…). Die komt erop neer dat de huurwaarde van een woning in een situatie zonder bodembewegingen (op basis van een marktconforme huur) moet worden vergeleken met de huurwaarde van dezelfde woning maar dan in de situatie met bodembewegingen. Het verschil tussen beide waardes is de schade. Die schade is verschuldigd in de periode dat het woongenot is gemist.
41Vanwege het verband tussen fysieke schade aan een woning en het ontstaan van het recht op schadevergoeding wegens gemist woongenot is het uitgangspunt dat deze periode begint op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vastgestelde A- of B-schade is ontstaan. Voor de keuze van het eindpunt van de periode geldt als uitgangspunt de laatste dag van de maand waarin de schade is hersteld en geheel financieel is afgewikkeld.’
42In de schadestaatprocedure zal de schade vanwege gederfd woongenot overeenkomstig deze maatstaf moeten worden begroot.
433.5 Het hof zal de vorderingen van [geïntimeerde] betreffende het gederfd woongenot toewijzen en die betreffende het smartengeld afwijzen.
44In het arrest van 19 december 2019 heeft het hof het vonnis van de rechtbank al vernietigd. Dat hoeft dus niet meer te gebeuren. Ook heeft het hof al beslist op de proceskosten tot dat moment. Nadien zijn partijen alleen griffierecht verschuldigd geworden. Omdat dat het gevolg is van de (aanvankelijke) keuze van [geïntimeerde] om door te procederen over het smartengeld, en [geïntimeerde] op dat punt in het ongelijk is gesteld, zal het hof haar in die kosten veroordelen.
454 4. De beslissing
46Het hof:
47verklaart voor recht dat NAM onrechtmatig heeft gehandeld tegen [geïntimeerde] en aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW en 6:177 BW voor haar vermogensschade wegens gemist woongenot;
48veroordeelt NAM tot vergoeding van de vermogensschade wegens gemist woongenot, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
49veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van NAM die gemaakt zijn na de splitsing van de procedure en bepaalt deze kosten op € 716,- voor verschotten;
50verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
51wijst de andere vorderingen af.
52Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, R.E. Weening en M. Willemse en is op
5327 september 2022 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.
54 
55[1] ECLI:NL:GHARL:2019:10717.
56[2] ECLI:NL:HR:2021:1534.